30 jaar Nederlandse Taalunie – Tijd om kleur te bekennen

Wellicht heeft u het over het hoofd gezien. Maar de Nederlandse Taalunie bestaat 30 jaar en heeft dit op 20 november in Brugge gevierd met een topberaad. Thema – hoe kan het anders – Nederlands wereldtaal. Intussen moeten we ons evenwel gaan afvragen over welk Nederlands het hier gaat. Het Nederlands dat in Nederland gesproken wordt? Of het verkavelingsvlaams dat de Vlamingen als Nederlands willen verkopen?

De hoge borst zetten Vlamingen maar al te graag op. De Nederlandse etymologe Nicoline van der Sijs is met 50 studenten, neerlandici en andere taalenthousiasten op zoek gegaan naar de woorden die andere taalgemeenschappen aan het Nederlands ontleend hebben. En de oogst is ongemeen groot. Niet minder dan 17.500 authentieke Nederlandse woorden – min of meer, meneer pastoor –   hebben hun weg gevonden in maar liefst 138 talen.  Tot in het Engels toe. In het Engels zijn er, aldus de studie, 1.950 woorden gevonden die oorspronkelijk uit het Nederlands komen. Terwijl er in het Nederlands maar 1.849 woorden werden aangetroffen die we uit het Engels hebben ontleend.

De doorsnee Vlaming triomfeert bij het vernemen van dergelijke cijfers, ook al zijn ze met grote omzichtigheid te genieten. Zeker wat de beperkte invloed van het Engels op onze taal betreft. Overigens is de verdienste van de Vlamingen in deze taalexport eerder gering. Bij de top 10 van Nederlandse woorden in de wereld  – ondermeer baas, pomp, pen, pot, pak, sloep, loterij, glas, blok – gaat het om woorden die via de  Ollanders in ondermeer de Gouden Eeuw verspreid werden. Alleen het woordje gas – tweede op de toplijst – danken we aan de Brusselse fysioloog, alchimist en arts Jan-Baptist van Helmont. Maar die leefde in een tijd dat Brussel nog een onvervalste Vlaamse stad was.

Voor een keer maken de Vlamingen van hun hart dus geen moordkuil. Verspreid door de Hollandse handelsvloot of niet, doet er niet toe. Triomfantelijk hebben we het over ons Nederlands, de gemeenschappelijke taal van Nederland en Vlaanderen. Een uitzondering die de regel helaas niet bevestigt. Kijk maar naar de Nederlandse televisiereeksen die bij ons vertoond worden, of luister naar het navigatiesysteem in je wagen. Maar liefst 42% van de Vlamingen wil dat Nederlandse televisiereeksen bij ons ondertitels krijgen. En 75% van Vlamingen – en Nederlanders – willen dat de taal van het navigatiesysteem in auto’s  de taal van het eigen land is.  Dus geen bevallige Nederlandse jongemeidenstem die een Vlaamse wagen – soms – de verkeerde weg opstuurt of een even charmante Vlaamse stem voor de Nederlandse chauffeur. Neen, Vlamingen en Nederlanders geven de voorkeur aan de taal van hun eigen land. Het Nederlands mag dan wel een wereldtaal zijn, een gemeenschappelijke taal voor Nederlanders en Vlamingen blijkt het niet meer te zijn, alvast niet in een auto. Of voor de televisie.

Spreken over je wagen blijkt ook al uit den boze te zijn. Het novembernummer van Doorbraak, het blad van de Vlaamse Volksbeweging, besteedde maar liefst een volle pagina aan het ontraden van het woord jij in onze toch zo schoune Vlomse tale. Er wordt zowaar verwezen naar de Statenbijbel uit 1637 die de eerste norm zou worden van wat nu het Standaardnederlands is. De Hollanders, aldus Doorbraak, zijn deze norm gaan negeren. Zulke verschuivingen, aldus het blad, zijn in de taalgeschiedenis wellicht onvermijdelijk, maar in het Nederlandse taalgebied krijgen zij het karakter van een vernedering van de Vlamingen. Zij worden voor hun ijver om de taalnormen te volgen beloond met de achteloze en eenzijdige verandering van die normen vanuit het Noorden. Terug naar het kaakslagflamingantisme van weleer?

Op papier klinkt het fraai. Met meer dan 22 miljoen sprekers staat het Nederlands wereldwijd op de 35ste plaats. Andermaal wild gejuich, maar bestaat het Nederlands nog? Bij de oprichting van de Nederlandse Taalunie, nu 30 jaar geleden, stond hét ene Nederlands centraal. In Neerlandia – Nederlands van Nu, het fusieblad van het Algemeen Nederlands Verbond (ANV) en de Vereniging Algemeen Nederlands (VAN) herinnert Frans Debrabandere aan de pioniersjaren van de Taalunie. In artikel 2 van de verdragtekst, opgesteld bij de start van de Taalunie, wordt letterlijk gezegd dat de Taalunie de integratie van Nederland en de Nederlandse gemeenschap in België op het gebied van de Nederlandse taal en letteren in de ruimste zin tot doel heeft. Artikel 3 van de verdragtekst is nog duidelijker. Doelstelling van de Taalunie is, aldus de tekst, de gemeenschappelijke ontwikkeling van de Nederlandse taal.

Dat is nu helaas anders. In hetzelfde nummer van Neerlandia geeft Linde van den Bosch, algemeen secretaris van de Taalunie, toe dat de inzichten veranderd zijn. In de beginjaren was er sprake van een defensieve houding, de taal moest als eenheid verdedigd worden. Nu stellen we, aldus Van den Bosch, dat binnen de eenheid verscheidenheid ook een waarde kan zijn. Verdragtekst of niet, de Taalunie heeft eigenlijk nooit wakker gelegen van de gemeenschappelijke ontwikkeling van het Nederlands. De start verliep bijzonder moeizaam. Omdat er bezwaren gerezen waren tegen de benoeming van Oscar de Wandel als Vlaamse vertegenwoordiger in de  Taalunie weigerde Poma meteen ook Frans Debrandere te benoemen. Pas een jaar na het in werking treden deden Debrandere en De Wandel hun intrede  op het hoofdkwartier van de Unie in Den Haag. Algemeen secretaris was Bernard de Hoog, een Nederlander die school gelopen had in de abdijschool Zevenkerken bij Brugge, en die daar vlot Frans had geleerd. Hij werd als diplomaat naar Parijs gestuurd en trouwde er met een Française. De Hoog heeft haar, aldus Debrabandere, nooit Nederlands geleerd. Zijn begrafenisplechtigheid in Den Haag in 1984 verliep trouwens helemaal in het Frans.

Met een ijver de Taalunie waardig ging Debrabandere aan het werk. Hij had vastgesteld dat in de Verenigde Staten het Dutch en het Flemish als 2 aparte talen beschouwd werden. Tijd dus voor een hartig briefje. Maar dat was buiten De Hoog gerekend. Volgens hem mocht de Taalunie pas in actie schieten als haar reputatie bevestigd was. Bovendien mocht de Taalunie niet aan politiek doen. En het briefje dat Debrabandere wilde schrijven was politiek. Resultaat, na tot vijfmaal toe zijn eerste werkstukje te hebben herschreven, kon De Hoog instemmen met sterk afgezwakte versie van zijn protest.

Ach, wat het echte werk betreft heeft Debrabandere niet de beste herinneringen aan zijn tijd in Den Haag. Hij leerde er dat in een ambtelijke brief de boodschap zodanig geschrapt moet worden tot er alleen maar een nietszeggende bladvulling rest. Op vergaderingen werd gewoonlijk besproken wat op een vorige vergadering al besproken was en ook bij een volgende bespreking niet uitgepraat werd. Een ambtenaar, ondervond hij, is iemand die voor elke oplossing een moeilijkheid heeft. Maar gezellig was het wel. ’s Middags werd er wel eens geluncht op het strand van Schevingen, en na kantooruren was er op mooie zomerdagen het naaktstrand. Voor Debrabandere werd het de langste vakantie van zijn leven. En daar is niet iedereen tegen bestand. Debrabandere hield het dus snel voor bekeken. Het had langer kunnen duren, stelt hij terugblikkend vast, als de wil er was geweest om van taalunie naar taaleenheid te komen. Die wil was er helaas niet, en gevreesd mag worden dat hij er nog niet is.

Na 10 jaar werking werd de Taalunie in 1992 geëvalueerd en werd het bureaucratisch karakter van de club ter discussie gesteld. Greetje van den Bergh ging de Taalunie in 1993 leiden en die deed dat met verve. Zoals ook Van den Bosch dat sinds 2004 doet. De Taalunie is met name uitgegroeid tot een uit de kluiten gewassen KMO met 30 mensen in vaste dienst. En met een jaarbudget van ongeveer 9 miljoen euro. Een aardig bedrag om het Nederlands bij ons en elders te promoten. Maar met de taaleenheid heeft het nooit willen vlotten. Niet toen Debrabandere er aan de weg probeerde te timmeren, en niet later.

Overigens is het niet correct alle schuld op de Taalunie af te wentelen. Denk maar aan het artikel in het novembernummer van Doorbraak waarin er geargumenteerd wordt dat het gebruik van het simpele woordje je een vernedering voor de Vlamingen is. Inmiddels heeft Peter de Brabandere, zoon van en hoofdredacteur van Neerlandia – Nederlands van Nu, al gereageerd op het bewuste artikel. Hoe meer een perifeer taalgebied eigen accenten wil leggen, hoe groter de kans wordt dat het zich op termijn afscheurt van het centrum en dus zelf het centrum wordt van een nieuw taalgebied, aldus Debrabandere junior. Hij verwijst hiervoor naar Luxemburg waar de afwijzing van het Standaardduits ten gunste van een eigen taalvariant tot een verdere verfransing geleid heeft. In Frankrijk  wordt geduld dat in Frans-Vlaanderen het Vlemsch wordt gecultiveerd, maar niet het Nederlands, zodat de positie van het Frans niet wordt aangetast. En in Brussel is het Nederlands bijna helemaal door het Frans verdrongen omdat het decennialang kansloos was als prestigeloze volkstaal tegenover het prestigieuze Frans.

Toch maar even nadenken dus voor we terugkeren naar de taal van de statenbijbel. Niet de taalverscheidenheid maar de taaleenheid is belangrijk. De Taalunie heeft bijgevolg nog werk voor de boeg. En het wordt tijd dat we ons echt bekennen tot de taaleenheid. Doen we dat niet dan kunnen we met de Taalunie ook het Nederlands in Vlaanderen ten grave dragen.

Jan Veestraeten

Op de foto: Linde van den Bosch leidt de Taalunie. Meer eenheid dan verscheidenheid gevraagd.