België blijft melkkoe van de Sasken-Coburgs

Wil je je fortuin laten erven door niet-familieleden, dan moet je tot 66 procent aan successierechten betalen. Ook als je Fabiola heet. Dus richtte de koningin stichting ‘Fons Pereos’ op om de erfenis, in de woorden van De Standaard, ‘te regelen’. Dat is geheimtaal voor het sluizen van Belgisch belastinggeld naar door haar geliefde goede doelen en naar haar Spaanse neefjes en nichtjes. Maar daar had ze buiten de publieke opinie gerekend. Een storm van verontwaardiging brak los.

De affaire liep met een sisser af toen Fabiola de handdoek in de ring gooide. In een open brief beloofde ze de stichting op te heffen. Ze erkende dat ze ‘onvoldoende rekening [heeft] gehouden met de politieke gevolgen van deze daad die, in essentie, een privékarakter had’. Dat doet ons de wenkbrauwen fronsen. Aangezien haar fortuin bijna geheel uit de zak van de Belgische belastingbetaler komt, is het logisch dat het uitgeven ervan publieke aandacht krijgt. De dotatie is immers een gift, geen met arbeid verdiende loon zoals een werkgever dat krijgt (en vrijelijk mag besteden).

Geldmachine

Fabiola’s verdediging dat het uitgeven van haar geld een privézaak is, kan alleen begrepen worden door te kijken naar de geschiedenis van het Belgisch koningshuis. Daarin is misbruik van Belgisch belastinggeld voor privédoeleinden schering en inslag. Sterker nog: heel de Belgische monarchie is gebouwd als geldmachine voor de Saksen-Coburgs. Want geld, dat hebben de Saksen-Coburgs altijd nodig gehad. Leopold I was een man wiens ambitie zo groot was als zijn portemonnee klein was. De eerste Belgische koning was de derde zoon van de vorst van de Duitse streek Saksen-Coburg, dat begin 19de eeuw amper 50.000 inwoners had. Het ging bovendien gebukt onder zware schulden.

Gelukkig voor de dynastie was Leopold innemend en capabel. Dankzij zijn even gedreven moeder en grootmoeder werd hij op 5 jaar al kolonel in het Russische leger (op 15 jaar). Leopold werd een factor van belang in koninklijk Europa door zijn huwelijk met de Britse prinses Charlotte. Hem wachtte een glorieuze toekomst als prins-regent van Groot-Brittannië, ware het niet dat zijn vrouw bij de eerste bevalling stierf. Het prinsschap was voor Leopold verleden tijd, behalve in financieel opzicht. De gierige prins hield zijn leven lang – dus ook toen hij door de Belgische staat betaald werd – krampachtig vast aan zijn Britse dotatie. Dat geld was nodig voor het onderhoud van het grote Claremont House in Engeland, zo verdedigde hij. Een farce, zo bleek toen de Franse koning er na de revolutie van 1848 verbleef. Drie vrouwen van zijn entourage stierven aan vergiftiging door achterstallig onderhoud van de loden wateraanvoer.

Toen Leopold in 1831 koning van België werd, was dat zeker niet uit sympathie met de bijeengeraapte bevolking van het jonge land. De motivatie was tijd: hij was 40 jaar en had al een weinig betrouwbare indruk te geven door de Griekse troon eerst te accepteren en vervolgens te weigeren. Het was nu of nooit. Leopold kwam met de Belgen – of liever gezegd het Nationaal Congres, verkozen door 0,075% van de bevolking – een dotatie overeen van 1,3 miljoen gulden, naar huidige waarde ongeveer €10 miljoen. Zijn dubbele dotaties – Belgisch en Brits – investeerde hij slim, waardoor hij een van Europa’s rijkste vorsten werd. Ook gebruikte hij het geld om zijn eigen positie te beschermen: journalisten kregen steekpenningen om koningsgezinde artikelen te schrijven.

Congo

Eind 19de eeuw werden de Europese vorsten betoverd door Afrika. Het continent lag voor het oprapen. Vooral de Engelse vorstin Victoria (oomzegger van Leopold I) begreep dit. In gestaag tempo koloniseerde zij Afrikaanse gebieden, waardoor het Britse Rijk het grootste van de wereldgeschiedenis werd. Dat ontsnapte uiteraard niet aan de aandacht van Leopold II, die zijn vader in 1865 had opgevolgd. In 1879 stuurde hij de Brits-Amerikaanse ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley naar Afrika. In de daaropvolgende jaren werd een groot gebied tot kolonie gemaakt van Leopold – dus niet van de Belgische staat, maar van de vorst zelf. Het geld dat de kolonie in het begin koste, kwam uit zijn eigen zak – en dus indirect van het Belgische volk – en van ondernemers die economische potentie zagen in Congo’s natuurlijke bronnen.

Leopold II legitimeerde de kolonisatie door het naar de buitenwereld toe te presenteren als beschavingsmissie tegen slavernij. Een gruwelijke ironie, want hij vestigde er een waar schrikbewind. De schattingen van het aantal slachtoffers loopt van 3 tot 10 miljoen. Zij vonden de dood of verloren hun hand omdat ze bijvoorbeeld het wekelijkse aantal kilo’s rubber niet haalden. Toen onder sterke internationale druk de Belgische staat de kolonie van de koning afnam, moest het hem 130 miljoen frank betalen (omgerekend €455 miljoen). België subsidieerde de wijngaard volledig, Leopold II plukte de vruchten.

Pas na zijn dood in 1909 kwam aan het licht hoezeer Leopold II de administratie van zijn Congolese melkkoe had onttrokken aan het zicht van de Belgische staat. Een deel van zijn archieven had hij laten verbranden; wat overbleef getuigde van een indrukwekkend staaltje creatief boekhouden. De zaak kreeg een (voor de Saksen-Coburgs) beschamende wending toen in een stichting nog flink wat geld bleek te zitten. Zowel de Belgische staat als de dochters van Leopold II eisten het fortuin. Het meeste ging naar de dochters.

Bondgenootschappen

De puissante rijkdom van Leopold II hebben zijn opvolgers niet geëvenaard. Zij hadden de geschiedenis tegen zich. Voorbij was de tijd dat het volk gehoorzaam geld ophoestte voor de persoonlijke projecten van autoritaire koningen. Leopold II’s opvolgers hebben dit goed beseft. Zij sloten (half-)geheime bondgenootschappen met de regeringsleiders, in ruil voor bescherming tegen de publieke opinie. Leopold III schaarde zich bijvoorbeeld aan het begin van de Tweede Wereldoorlog achter Hendrik De Mans ideaal van een Europese superstaat. Na de oorlog verzekerde hij zich van de steun van de CVP, die terugkeer van de in ballingschap verkerende koning als verkiezingsbelofte bracht. Leopold III deed dat niet uit ideologische sympathie met de christendemocraten: wat veel belangrijker was, was het terugkrijgen van de dotatie die tijdens de ballingschap naar de prins-regent Karel (zijn broer) ging.

Dat de volk het koninklijk graaien niet meer zomaar slikte, bleek tijdens het referendum over de terugkeer van de verbannen vorst in 1950. Slechts 57,7% van de Belgen stemden voor. Die kleine meerderheid was genoeg voor een regering, niet voor de koning: die moet als symbool van nationale eenheid breed gesteund worden. Leopold III trad kort na zijn terugkeer onder hevige politieke druk weer af. Uiteraard niet zonder zijn opvolging veilig te stellen: het struikelen van één familielid mocht niet het eigenbelang van de Saksen-Coburgs beschadigen.

De trouw van regeringsleiders aan Leopold III staat in contrast met de opstelling van de huidige eerste minister in de affaire-Fabiola. Elio Di Rupo is als Waalse socialist een onvervalste monarchist, maar veroordeelde expliciet de ontwijking van het successierecht. Dit jaar voegt hij daad bij woord en krijgt de koningin 500.000 euro minder – een daling van 30%. Alleen dat dwingt Fabiola te snijden in haar personeelsbestand: ze heeft het onzinnige aantal van 25 mensen in dienst.

Maîtresses

Leopold II spendeerde zijn dotatie aan Kongo om in de geschiedenisboeken te komen als een heerser van Caesarproporties. Waar gaven en geven zijn opvolgers ‘hun’ geld aan uit? Onder andere Wein und Weib. Een karaktertrek van de familie Saksen-Coburg is hun voorliefde voor uitbundige feesten en (bij de mannen) maîtresses. Leopold I was een groot rokkenjager, die tot zijn minnaressen zelfs Napoleons echtgenote rekende. Leopold III deelde na aftreden de lakens met een Française aan wie hij in 2,5 jaar 11 miljoen Belgische frank uitgaf – aldus premier Achiel Van Acker, die goed thuis was in het roddelcircuit rond het koningshuis. Albert II is in de familie geen uitzondering: hij heeft minstens één buitenechtelijk kind, de kunstenares Delphine Boël. Een van haar kunstwerken is een t-shirt met het opschrift ‘Ik ben Gods gift aan het universum’. Tja.

Kon een koninklijke bastaard vroeger rekening op impliciete herkenning door een graafschap of generaalschap, bij Boël ontkent het koningshuis halsstarrig dat zij Alberts dochter is. De Saksen-Coburgs opereren voorzichtiger dan voorheen (behalve qua retoriek: Albert II laat het niet na bij tijd en wijle half Vlaanderen uit te maken voor gevaarlijke populisten). De dure feesten en vele maîtresses zijn voor zover wij weten minder dan vroeger. Maar financieel sjoemelen blijft in het DNA van de Saksen-Coburgs zitten. Neem prins Laurent. Met de Belgische staat heeft hij een contract dat hem verbiedt op eigen houtje met buitenlandse diplomaten te spreken. Blijkbaar een dood papiertje, want recent organiseerde hij in Brazilië vrolijk een overleg met Angolese diplomaten over een milieuproject. Het is niet de eerste keer dat Laurent een scheve schaats rijdt. Twee jaar geleden ging hij op eigen houtje naar Congo. Niet voor cultuur, zo kunt u wel raden.

Het Belgisch koningshuis kost naar schatting 30 miljoen euro per jaar, verhoudingsgewijs minder dan ten tijde van Leopold II. De politieke invloed van de koning is tegenwoordig aanzienlijk minder dan vroeger. Dus geen reden tot zorg, zo sussen de meer koningsgezinde Belgen (of moeten we Walen zeggen?). Zij vergeten dat een koningshuis breed gedragen moet worden door de bevolking. Zij dient immers symbool te staan voor de nationale eenheid in deze tijd van politieke verdeeldheid. Het Belgisch koningshuis doet dit niet. Dit monarchaal deficit alleen al dat de 30 miljoen euro beter aan een zinnig doel besteed kan worden – al helemaal in een tijd van financiële crisis.

Rutger Schimmel