Brusselse economie wint bij Vlaams zelfbestuur

De Vlaamse Beweging en economie, vanouds zijn het geen innige vrienden. Belgicistische liberalen en socialisten denken bij onrecht aan economische wantoestanden, wij Vlaams-nationalisten eerder aan schendingen van de taalwet of oneerlijke hervorming van de rechterlijke macht. Toch is er afgelopen jaren veel veranderd. Het is onderhand duidelijk dat de Belgicisten vastklampen aan hun land puur uit economisch eigenbelang. De economische malaise die sinds 2008 heerst, heeft ons ook met de neus op de feiten gedrukt. Vlaanderen moeten ingrijpend economisch hervormen om sterk te staan. De conditie moet verbeteren, overtollig vet verdwijnen. Wat te doen met Brussel in het nieuwe dieet? Afstoten of naar Vlaanderen toe trekken?

Eens was Brussel als welvarende en cultuurrijke stad het symbool van ‘eendracht maakt kracht’. Op het kruispunt van Noord- en Zuid-Europa zetelde één Société Générale de Belgique, één onaanraakbare koning en één centraal parlement. Van het unitarisme kun je alles zeggen, behalve dat het onoverzichtelijk was. Evenmin dat het geen ingrijpende beslissingen kon maken. Wilde de koning iets, dan schraapte de staatsbank geld bij elkaar en suste het parlement de bezorgde burger; de heerser kon vervolgens vrijelijk gaan landpikken in Afrika.

Niets van dat bij hedendaags Brussel. De stad vertoont alle symptomen van de Belgische ziekte. Alleen al als gewest kent het 19 gemeenten; over andere bestuurslagen uitweiden bezorgt u voor het einde van dit artikel al hoofdpijn. Mede door de bestuurlijke jungle gaat de stad gebukt onder een flinke schuldberg, heeft veel jeugdwerkloosheid (40%) en kampt met schoolverlating (70% verlaat het technisch onderwijs diplomaloos). Daadkrachtige hervorming is hier onmogelijk, aangezien elke bestuurslaag een koninkrijkje is met eigen bevoegdheden.

Kruisbestuiving

Brusselse ondernemers kunnen van de overheid weinig verwachten. Architect Karl Lowette heeft daarom zelf het heft in handen genomen en is met andere ondernemers Brussels Metropolitan vzw begonnen. Op het symposium van de Marnixring van 16 juni jongstleden legde hij uit dat zijn organisatie binnen de Brusselse Metropolitane Gemeenschap het bedrijfsleven en de overheid bij elkaar brengen, over de grenzen van sectoren en bestuurslagen heen. Buiten de formele kanalen komt hopelijk kruisbestuiving, bijvoorbeeld tussen de logistieke en luchtvaartsector.

Dat een Brusselse organisatie een Engelstalige naam voert, is tekenend voor onze tijd. Brussel is een internationale stad en wordt dat nog meer. Voor grote bedrijven voor de hand liggend, de stad ligt in het hart van Europa en op ons continent is het Engels nu eenmaal wat voor rondreizende geleerden in de middeleeuwen het Latijn was.

Maar ook aan de onderkant van de maatschappelijke ladder wordt Engels gebruikt, vermengd met Frans en (in mindere mate) talen als Arabisch. Zeg maar een vorm van potjeslatijn. In de stad Brussel kunnen allochtonen wel uit de voeten met dat sociolect. Problematisch wordt het als de harde stadsgroei (tweemaal die van de rest van België) hen drijft naar Nederlandstalige randgemeenten en zelfs steden als Leuven. In de symposiumtitel ‘De Brusselse metropool: een nieuwe olievlek?’ was het vraagteken dan ook overbodig. De consensus is dat Brussel olie lekt.

Verborgen agenda’s

Op Lowette volgde een debat tussen filosoof Philippe Van Parijs en opiniemaker Peter De Roover. Van Parijs adviseerde het lekken van het Brussels olievat op te vangen door nauw samen te werken met omliggende regio’s als Vlaams-Brabant, ook op politiek vlak. De filosoof, qua betoog even ordelijk als zijn kapsel warrig was, voorzag dat dat een terugkeer is naar de oude Belgische situatie, waarin stemmers een aanzienlijk deel van hun politici niet kunnen verkiezen, laat staan verstaan.

Van Parijs’ oplossing was even simpel als utopisch: maak Brussel drietalig. Dit naar het goede voorbeeld van Marnix van Sint-Aldegonde, die zelf het Engels, Frans en Nederlands uitstekend beheerste. De filosoof ging wel voorbij aan het enorme verschil tussen de 16de-eeuwse aristocraat die uitstekend onderwijs genoten had, en de uit Afrika afkomstige Brusselaar die niet eens in het Frans goed les krijgt, laat staan dat hij fatsoenlijk Nederlands en Engels aangeleerd krijgt.

De Roover kaartte het utopisme van Van Parijs’ voorstel aan, maar als gewiekst debater liet hij het daar niet bij. Zelfs als gans Brussel Engels als tweede of derde taal spreekt, dan nog maken de verborgen agenda’s eenduidig beleid onmogelijk. Er worden mooie woorden gesproken over economische samenwerking, aan het eind van de dag wantrouwen Walen, Brusselaars en Vlamingen elkaar te zeer om gezamenlijk iets van de grond te tillen. Dit is een serieus mankement van Brussel ten opzichte van steden als Berlijn, ook geplaagd door financiële tekorten en bestuurlijke chaos maar wel in goede samenwerking met randregio’s.

Van Parijs repliceerde dat ondanks de spanning het onverzoenbare verzoend moet worden, net als in een huwelijk. De noodzaak daartoe is puur economisch: de stad heeft arbeidskrachten uit Vlaams- en Waals-Brabant nodig, die regio’s de stad om zelf welvarend te blijven. De vaten zijn beter af als ze communicerende vaten blijven. België blijft daarom bestaan – een conclusie die bij De Roover de opmerking uitlokte dat de DDR ook tot in 1989 dacht het eeuwige leven te hebben.

Vlaanderen hoeft geen recept te leveren voor de revitalisering van de Brusselse economie; die verantwoordelijkheid ligt bij het bestuur, de burgers en bedrijven zelf – en wordt met organisaties als Brussels Metropolitan vzw al voor een deel genomen. Wat ons eerder dwars zit, is de plaats van Brussel in een steeds zelfstandiger Vlaanderen. Realistisch gezien zijn hier twee opties: de stad bij ons houden, of onze (beperkte) zeggenschap erover opzeggen.

Brussel in Vlaanderen

Laten we het behoud van Brussel binnen een (meer) zelfstandig Vlaanderen als eerste optie overwegen. Een groot pluspunt is dat de Brusselse Metropolitane Gemeenschap een sterke financiële sector heeft. Ook is het de zetel van de Europese Unie. Maar de EU wankelt steeds meer; wij mogen niet opkijken als het net als de DDR in korte tijd desintegreert – of in ieder geval in omvang ernstig vermindert. En voor Vlaanderen is de EU momenteel al niet bijster profitabel. Europese ambtenaren – 46.000 in totaal – dragen geen inkomstenbelasting af aan België. Een inkomstenderving van 500 miljoen euro per jaar, zo schatte de Brusselse regering in 2010.

Brussel in Vlaanderen brengt meer bedrijvigheid, echter ook meer kosten. Want voor de grote wantoestanden in het Brussels onderwijs (om maar een overheidsdienst te noemen) draait dan de Vlaamse belastingbetaler op. Ook moet veel geld gepompt worden in het leren van Nederlands aan immigranten. Vilvoords burgemeester Hans Bonte (sp.a) klaagt nu al dat er vorig jaar geen geld was voor Nederlandse lessen aan 140 Franstalige Brusselse nieuwkomers. Wat als dat 500 worden?

Brussel buiten Vlaanderen

Brussel heeft gevoelswaarde voor de Vlaams-nationalisten. De stad was lange tijd voornamelijk Nederlandstalig. De Vlaamse Rand is dat uiteraard nog steeds. Toch moet de optie van Brusselse onafhankelijkheid overwogen worden. Op korte termijn brengt dat een kleine economische domper. Op de lange termijn zijn evenwel samenwerkingsverbanden mogelijk, zodat de 350.000 Vlaamse pendelaars in Brussel kunnen blijven werken. Nog nauwere samenwerkingsverbanden kunnen bestaan tussen Brussel en de randgemeenten. Het verschil met de huidige situatie is dan dat belangrijke zaken als sociale zekerheid gescheiden zijn: de samenwerking wordt dan beperkt tot zaken als economie en infrastructuur.

Het grootste voordeel is dat Vlaanderen en Brussel wendbaar worden; ze kunnen met elkaar afspreken maken zonder eerst door de dikke modder van regeringen te hoeven waden. Het worden eigenlijk twee autonome staten. Elders in de wereld blijkt dat zulke staten economisch goed presteren. Vlaanderen kan een voorbeeld nemen aan Letland en IJsland, die bij het uitbreken van de bankencrisis in 2008 sneller het roer konden omgooien en zo sneller herstelden.

Brussel kan een voorbeeld nemen aan Hongkong. Dat valt onder Chinees gezag, maar heeft een hoge mate van autonomie en dankt daar haar welvaart aan. Nog een gedurfder voorbeeld is Singapore. Onder Britskoloniaal gezag was de stad armoedig en verdeeld. Toch werd het zelfstandig. De redding kwam grotendeels van de jonge premier Lee Kuan Yew, die nutteloze bestuurslagen afschafte zonder democratie te schenden. ‘Zijn’ Singapore is tegenwoordig een van de rijkste metropolen ter wereld. Kan de Brusselse Lee Kuan Yew opstaan?

Rutger Schimmel