Cultuur in de kijker: Nood aan betekenisvolle verhalen

Artistiek Vlaanderen is toe aan herbronning

Vele Vlaamse artiesten en intellectuelen kanten zich tegen meer Vlaamse autonomie en het achterliggende identiteitsdenken. Voor de lof die ze het ‘Belgische surrealisme’ en het kosmopolitisme toezwaaien, krijgen ze van de huidige generatie Vlaams-nationalisten dan weer veel kritiek. Kevin Absillis, docent Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Antwerpen, vindt de patstelling tussen beide kampen weinig productief.

(c) Koen Broos

Vlaamse artiesten en intellectuelen lopen doorgaans niet warm voor de Vlaamse beweging. Was dat altijd zo?

Het is ooit anders geweest. Bekende auteurs en componisten zoals Hendrik Conscience en Peter Benoit hebben het Vlaamse natiestreven in de 19de eeuw mee vorm gegeven. Binnen een Belgische context en eigen aan de tijd met een zekere pathos, wel te verstaan. Pas toen de Vlaamse beweging met de Eerste Wereldoorlog radicaliseerde, won het anti-Belgicisme veld.

Waarom keerde de artistieke elite zich later grotendeels af van de Vlaamse beweging?

Het breekpunt was de Tweede Wereldoorlog, toen rassenwaan nazi-Duitsland bracht tot de uitroeiing van alles wat ‘volksvreemd’ was. De tamelijk rumoerige collaboratie van een deel van de Vlaamse Beweging bracht het flamingantisme in moreel, cultureel en politiek diskrediet. Spraakmakende auteurs zoals Louis Paul Boon, Hugo Claus en Walter van den Broeck hebben nadien de naïviteit en de ideologische verblinding van de Vlaamse Beweging in hun knapste teksten lucide genalyseerd. Terzelfdertijd lijkt die Vlaamse Beweging nog altijd niet helemaal in het reine lijkt te zijn met wat er tijdens en na de oorlog is gebeurd. Pogingen zoals van de Voorwaartsgroep leidden alvast niet tot een definitieve ommekeer. Tekenend is dat Bart de Wever de verontschuldigingen van de Antwerpse burgemeester Patrik Janssens voor het Antwerpse aandeel in de jodenvervolging als gratuite en misplaatst van de hand deed. In plaats van Janssens opportunisme aan te wrijven had hij kunnen erkennen dat de Vlaamse Beweging een aandeel heeft gehad in het gruwelijke lot van de joodse gemeenschap tijdens de nazi-bezetting. Dat had pas van lef blijk gegeven, in zijn eigen parochie wellicht zelfs van politieke incorrectheid! Hoe dan ook zal De Wever met zijn demarche toen de sympathie van artiesten en intellectuelen voor de Vlaamse beweging niet hebben gestimuleerd.

Waren er nog andere factoren in het spel?

Ja, de perceptie van de Vlaamse kwestie is veranderd. In de tijd van ‘Arm Vlaanderen’ namen intellectuelen en kunstenaars dikwijls het voortouw in de strijd tegen de achterstelling van Vlaanderen. Wie zich met het volk verbonden voelde, trok partij tegen een franskiljonse elite en tegen de politieke dominantie van een industrieel-financiële Franstalige bovenlaag. Sinds Vlaanderen zich economisch heeft opgewerkt, is de gemiddelde Vlaming welvarender dan zijn Franstalige landgenoot. Daardoor ontstaat de perceptie dat elk streven naar meer autonomie vooral materieel is gemotiveerd, wat de Vlaamse beweging overigens in de hand werkt door minder dan vroeger aandacht te schenken aan immateriële overwegingen. Vlaamsgezinden rebelleren volgens dat beeld niet tegen een onrechtvaardig systeem, maar laten zich drijven door plat eigenbelang. Invloedrijke publicisten als Marc Reynebeau beweren dat het nooit anders is geweest. Zij stellen dat de Vlaamse beweging nooit een sociale rol heeft vervuld.

Hoe maakt hij dat hard?

In zijn ophefmakende boek Het klauwen van de leeuw uit 1995 typeert Reynebeau flaminganten als gefrustreerde (katholieke) kleinburgers die enkel uit waren op materieel eigenbelang. Voor een auteur die objectiviteit en wetenschappelijkheid hoog in het vaandel zegt te voeren zijn termen als ‘kleinburgerij’ en ‘zelfbedieningsnationalisme’ op zijn zachtst gezegd minder gelukkig gekozen. Ze ademen negatieve connotaties uit. Bovendien lijkt het wel alsof het hem vooral goed zou uitkomen dat van die Vlaamse Beweging nooit sociale impulsen zijn uitgegaan. Alsof hij op die manier een moreel stigma op die beweging kan drukken. “Ze zijn nooit voor de echte verdrukten opgekomen in de samenleving, zie je wel!” Maar is het aan de historiografie om zulke triomfantelijke conclusies te trekken? Tot op zekere hoogte heeft Reynebeau wel een punt, maar hij vindt dat punt zo bruikbaar dat hij alle verdere nuance achterwege laat. Historicus Maarten van Ginderachter heeft in zijn proefschrift Het rode vaderland (2005) duidelijk aangetoond dat het opkomende socialisme aan het eind van de 19de eeuw allerlei Vlaamse sympathieën had en zich zelfs een flink deel van het discours van de Vlaamse Beweging toe-eigende. Er is met andere woorden van meet af aan een wisselwerking geweest tussen de VB en het socialisme. Overigens ook met het liberalisme, en later zelfs met het communisme. Kortom, het flamingantisme is veel heterogener dan Reynebeau maar blijft verkondigen. Dat kun je ook lezen in de Vlaamse literatuur. Of zou hij figuren als August Vermeylen, Paul van Ostaijen, Virginie Loveling, Raymond Brulez en Reimond Stijns, die allen op hun eigen manier aan een Vlaamse emancipatie meenden bij te dragen, katholieke kleinburgers willen noemen? De lijst is uiteraard nog veel langer. Zelfs iemand als Hendrik Conscience is een veel complexere figuur dan de met een Oedipuscomplex opgezadelde kazakkendraaier die Reynebeau er van maakt.

Het heil ligt voor Reynebeau dus niet in meer Vlaanderen?

Tja, hij blijkt zich liever te identificeren met België. En dat is uiteraard legitiem. Voor zover die Belgische identiteit louter een vlucht is in een zogenaamd sureële identiteit, of misschien zelfs wel in identiteitsloosheid, vind ik ze een tamelijk gemakzuchtige, vooral retorische oplossing. Misschien gaat hetzelfde op voor het Europa waar Guy Verhofstadt en Karel de Gucht almaar mee schermen. Zij stellen een politiek rond culturele identiteit graag voor als de snelweg naar Auschwitz en profileren zich graag als liberale wereldburgers, enige erfgenamen van de Verlichting en haar onwrikbare geloof in de kracht van de soevereine rede. Dat een blind geloof in de rede om kan slaan in haar tegendeel heeft onze geschiedenis al vaak laten zien. Het zou Verhofstadt dan ook sieren als hij eens de dialoog zou aandurven met de overvloedig aanwezige kritiek op de erfenis van de Verlichting. Vijftig jaar geleden al argumenteerden Max Horkheimer en Theodor Adorno in het klassiek geworden essay Dialektik der Aufklärung bijvoorbeeld dat juist de ontspoorde rede de nazi’s in staat had gesteld om vernietigingskampen te bouwen. Eigenlijk is het mensbeeld waar de Verlichting ons mee heeft opgezadeld gewoon te idealistisch.

Hoezo?

De mens is een cultureel wezen. Een beetje abstract geformuleerd wil dat zeggen dat hij voortdurend betekenis geeft aan de hem omringende werkelijkheid. Dat doet hij echter niet zelfstandig. Allerlei opvattingen, symbolen en verhalen die hij van jongsaf meekrijgt thuis, op school en elders sturen die betekenisgeving en dus ook hoe hij zich tot de werkelijkheid gaat verhouden. Het is dan ook een misvatting te denken dat mensen volledig autonoom en onthecht zuivere rationele beslissingen kunnen nemen. Ze blijken altijd en onvermijdelijk te koersen op basis van empathie en identificatieprocessen. Zo stemmen we niet noodzakelijk voor de partij die de maatschappij in ons grootste voordeel wil aanpassen, maar voor politici en opvattingen waar we ons het meest mee identificeren of wensen te identificeren. Zo is het ook niet toevallig dat je op basis van pakweg kledij en televisievoorkeuren vaak wat kan afleiden over politieke voorkeur. We kunnen, het gedachtegoed van de Verlichting getrouw, dus wel streven naar meer rationaliteit en intellectuele autonomie, maar het zou dwaasheid zijn om ervan uit te gaan dat dit ideaal ook zonder meer realiseerbaar is. Los daarvan getuigt het van enige arrogantie en van gespletenheid om iemand het recht op identiteitsbeleving te ontzeggen. Ook kosmopolieten koesteren uiteraard een identiteit, ook al bestaat die vaak onder meer uit een wantrouwen ten aanzien van nationalistische projecten.

Staan de meeste artiesten dan op een lijn staan met Verhofstadt?

In hun aversie voor het huidige Vlaams-nationalisme zijn ze objectieve bondgenoten, maar Verhofstadts nog altijd vrijwel grenzeloze vertrouwen in de vrije markt delen de meeste artiesten zeker niet. De artiesten die op een podium ‘niet in onze naam’ roepen, zouden echter stilaan mogen gaan beseffen dat solidariteit niet kan zonder een geloofwaardig verhaal. Dit wil zeggen: wie een financiële solidariteit op Belgische niveau wil verdedigen – dat blijft uiteraard een legitiem streefdoel – zal zwaar moeten investeren om Vlamingen meer empathie te bezorgen voor hun Franstalige landgenoten. Je kan het betreuren, maar mensen blijken nooit zomaar solidair. Ze moeten kunnen meeleven en ze moeten de ellende van de andere kunnen herkennen. Ironisch genoeg zou een Belgisch project dus niet minder, maar méér behoefte aan identificatieprocessen hebben. Wat dit betreft is artistiek en intellectueel Vlaanderen dus beslist aan herbronning toe.

Guy Leemans