De Eerste Wereldoorlog echoot in Syrië


21 augustus 2013. Rond 5 uur in de vroege ochtend werden de inwoners van buitenwijken van Damascus gewekt door neerkomende raketten. Die maakten een raar fluitend geluid en brengen groene wolken. Wie in de buurt kwam, werd de adem ontnomen en zeeg neer op de grond. Honderden lagen zo op straat: man en vrouw, jong en oud, bijna allen burgers. Het zenuwgas sarin had toegeslagen.

Eén Syriër had het geluk de aanval te overleven. Dagenlang was hij doodziek. ‘Rare kleuren kwamen er uit mijn maag.’ Toen hij na 13 uur ontwaakte, ‘voelde ik mij als in Alice and Wonderland. Alles leek vervormd en ik herinnerde mij niets meer… Mensen stierven niet in hun slaap; zij probeerden zichzelf te redden.’ Schattingen van het aantal doden lopen uiteen van 300 tot 1700; wie de gasraketten gelanceerd heeft, is op het moment van schrijven nog altijd onbekend.

Loopgraven

renaat de rudder

22 april 1915. Omstreeks 17 uur zagen geallieerde soldaten – 0nder hen Belgen – in de loopgraven tussen Steenstrate en Langemark een merkwaardige wolk op hen af komen. Het leek een mistwolk die door de wind gedreven over de grond op hen af vloog. Voordat de achterdocht tot vluchten aangezet had, was de wolk over de loopgraven gezakt. De mannen raakten verstikt, hun ogen brandden weg, de slijmvliezen zwollen aan. Gas maakte zijn debuut. Chloorgas.

Een Britse soldaat vertelt later de totale paniek en chaos die het ontketende: ‘[Ik zag] figuren in verwarring wild rondrennen over de velden. Groengrijzige wolken vielen op hen neer, werden geel terwijl ze over de velden trokken, blaasten alles wat ze aanraakten omver en verschrompelden de vegetatie… Toen waggelde in ons midden Franse soldaten, verblind, hoestend, hijgend, met gezichten van lelijke paarse kleur, lippen sprakeloos met afgrijzen, en achter hen in de vergaste loopgraven, leerden we dat zij honderden dode en stervende kameraden achtergelaten hadden.’

De 150 á 168 ton gas sloeg een gat van 6 kilometer in de geallieerde linie. De Duitsers sloegen er geen munt uit; de eigen troepen weigerden de gaswolk achterna te gaan. Toen het gas oploste, werd het gat door de geallieerden gedicht. Er was geen terreinwinst gemaakt, wel een ongekende terreur gezaaid. Duizenden waren gestikt in het chloor. Alle soldaten aan het Westfront leefden voortaan met de zeurende angst getroffen te worden door een gasaanval.

Constant op de hoede

De angst voor gas was een gerede angst. Sloegen de Duitsers in april 1915 nog toe met cilinders waaruit van veraf zichtbare wolken richting de vijand waaiden, later in de oorlog gebruikten de partijen ook gasgranaten en gassen die onzichtbaar en reukloos waren. De soldaat moest daardoor constant op zijn hoede zijn. Was hij ook maar een seconde te laat met het opzetten van zijn masker, dan drong het fosgeen zijn longen binnen.

Wie op tijd het gasmaker opkreeg, bracht soms uren door in zware hitte en weinig zicht. Dat maakte van de gevechten in de gaswolken een bijzonder macabere bedoening. De Vlaamse dichter-soldaat Daniël Boens beschreef het in een gedicht:

De stank is onuitstaanbaar, wijl de dood er spot.
De maskers om de wangen snijden beeste-snuiten,
de maskers met verwilderde oogen, dwaas of zot,
de lijven verder-drijven tot op staal te stuiten.
 
De mannen weten niets, zij ademen met vrees.
Hun hand knelt wapens, als een boei de drenkelingen;
zij zien hun vijand niet, die ook gemaskerd rees,
en stormt op hen, verscholen in de gassen-kring.

Afval van productieprocessen

In de Eerste Wereldoorlog hadden weinig technologische innovatie een indrukwekkend debuut. Zo bleef de tank bij vroege aanvallen meestal tussen eerste en tweede loopgraaf in de modder steken. Ook gas gaf in het begin geen doorslag: bij een vroege poging aan het oostfront bevroor het.

Tot Fritz Haber op het toneel verscheen – of beter gezegd gezet werd door kolonel Max Bauer die inzag dat Duitsland ‘wonderwapens’ nodig had om de numeriek sterkere geallieerden te verslaan. Haber, een briljant chemicus, greep naar chloorgas. Dat was als industrieel afval ruim voorhanden en was geschikt voor massaproductie.

Het gevaarlijke is dat gas toen en nu makkelijk te produceren is als het juiste recept aanwezig is. Vergeleken bij atoombommen, die het zeldzame uranium bevatten, hebben gaswapens relatief goed verkrijgbare grondstoffen nodig. Zo konden de Duitsers in de Grote Oorlog het gevreesde mosterdgas verspreiden mede dankzij Belgische boeren die mosterdzaden voor ze kweekten.

Afschuw

Haaks op het beeld van de Eerste Wereldoorlog als ultiem immorele oorlog, staat het feit dat gas in 1915 stuitte op veel verzet bij de Duitse legerleiding. Alle bevelhebbers weigerden: afkomstig uit de traditionele Pruisische adel, vonden ze dat de strijd tussen man en man moest zijn. Bauer kon alleen Von Württemberg overtuigen – en dan met de leugen dat chloor de vijand pijnloos doet inslapen.

Door heel de oorlog bleven militairen overtuigd van de oneerlijkheid van gas. De generaals, die de effecten van gas niet aan den lijve ondervonden, waren slechts bereid gas te gebruiken omdat de vijand het anders wel deed en zo de bovenhand zou krijgen. Deze wapenwedloop stuwde het gebruik en de ontwikkeling. In Syrië kan eenzelfde effect optreden als de tegenpartij van de recente gebruikers wraak neemt met dezelfde middelen.

Agent Orange

Na de Grote Oorlog was de consensus dat gas de wereld uitmoest: in 1925 tekenden de Europese machten in Geneve een verdrag daartoe. Het gastrauma leek over de twintigste eeuw te zijn neergedaald. Toen twee decennia later oude vetes hernieuwd waren, zette niemand op het slagveld gas in. Vaak wordt dat verklaard vanuit de menselijkheid van de geallieerden en de persoonlijke ervaringen van Adolf Hitler met gas (het gaf hem tijdens de Grote Oorlog een oogaandoening). Maar Winston Churchill kon in 1944 met moeite afgeholpen worden van het idee om gas in te zetten. En Hitler had geen probleem met het vergassen van 6 miljoen joden. Dat het met het gastrauma meeviel, was in 1919 al bewezen toen de Nobelprijs voor de chemie ging naar niemand minder dan Fritz Haber, vader van het chloorgas.

De ware reden dat gas afwezig was, is niet morele afschuw. Eerder dat legers meestal beweeglijk vochten op vlakke velden; bij uitstek ongeschikt terrein voor gas. Bij ander terrein werd gas wel gebruikt. Berucht is Agent Orange, een Amerikaanse operatie in Vietnam. Met een leugenachtigheid kolonel Bauer waardig, werd het verkocht als onschadelijk middel dat slechts jungles ontbladerde zodat de vijand zichtbaar werd. In de praktijk was het zwaar giftig. Nog steeds lopen in Vietnam misvormde mensen rond wier moeder het oranje gif inademde.

Ook Saddam Hoessein had weinig tegen gas. Toen onderdrukte Koerden in maart 1988 rebelleerden tegen zijn gezag, liet hij sarin regenen over het dorp Halabja. 5000 mensen stierven. Amper een maand later sprak Hoessein alweer zijn gasvoorraad aan, ditmaal voor de oorlog tegen Iran. De wrange ironie is dat Amerika in 2003 Irak binnenviel vanwege de dreiging van o.a. gaswapens, terwijl het in 1988 Hoessein hielp door met satellietbeelden vast te stellen waar de te vergassen Iraniërs zaten. Dat president Obama desondanks kan optreden als zedenmeester van de wereldpolitiek, toont aan hoe moreel corrupt het Amerikaans imperium is. Het is niet anders als bij het oude Rome, waarover historicus Tacitus schreef: ‘ze laten een woestijn achter en noemen het vrede’.

Guerilla

Gas is van veel 20ste-eeuwse slagvelden afwezig geweest doordat legers elkaar met grote beweeglijkheid bevochten, met overwinning als doel. Oorlog in de 21ste eeuw is fundamenteel anders. Zoals de Israëlische militairtheoreticus Martin van Creveld benadrukt, is de strijd nu dikwijls tussen staat en niet-statelijke groeperingen. In deze guerilla is geen plaats voor de ridderlijke trots die Pruisische bevelhebbers bijna van gas afhielden.

Ook vindt de strijd vaker plaats in steden. Voor het gebruik van gas zijn gebouwen niet anders dan loopgraven. Ze houden makkelijk gas vast en ontnemen zicht op waar het vandaan komt. Voor combattanten heeft gas nog een bijkomend voordeel, dat het deelt met landmijnen. Gas doodt niet veel – in de Eerste Wereldoorlog maakten honderdduizenden ingezette tonnen ‘slechts’ 90.000 doden -, maar verwondt wel vaak. Meestal moet een strijder enkele weken herstellen en verzorgd worden. Dat weegt op een strijdmacht.

Gevaren van interventie

Wie de gruwelen van de Grote Oorlog indachtig denkt aan de toekomst van het Syrische volk, heeft als eerste reactie dat geïntervenieerd moet worden. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Syrië is een geopolitiek kruitvat, met staten als Turkije, Iran en Israël nabij, allen met een eigenbelang, en dikwijls een etnische of religieuze minderheid die ze steunen. Een Amerikaanse miscalculatie kan vlam in de hele pan van het Midden-Oosten brengen.

Daarbij leert het debacle van Irak dat het moeilijk is een rechtvaardig regime in te stellen. In landen als Syrië zijn bestuursinstellingen zwak, en daarmee orde precair. Wordt de staat met buitenlandse bommenwerpers en tanks uitgeschakeld, dan vallen burgers terug op tribale en etnische en religieuze loyauteiten – die mensen soms tot nog groter onrecht drijven dan het oude regime toestond. Als de extremistische rebellen de overhand krijgen – de wens van Obama – dan staat weinig hen in de weg om in naam van de jihad fanatiek christenen te vergassen.

Wat kan het Westen doen? Godzijdank is Obama’s plan om Assads regime te bombarderen, gesneuveld door de oppositie van de publieke opinie en het parlement. Het plan was gebaseerd op de onderhand beruchte Amerikaanse hoogmoed. Maar we kunnen niet de schouders ophalen bij deze vreselijke wandaad. Zodra duidelijk is wie schuld draagt, moet streng gestraft worden. Al zal de straf niet afschrikken: de schurken van deze wereld weten dat politieagent Amerika zelf gas inzet wanneer het aankomt. De wapenwedloop kan weer zo beginnen – en daarmee een herhaling van 1915.

Rutger Schimmel