De soldaat verdwijnt wel uit de oorlog, de oorlog niet uit de soldaat

Chris Kyle

Dinsdag 4 mei 1915. Bij een kapelletje in Pollinkhove staat een net 20-jarige soldaat geblinddoekt. Hij krijgt van de aalmoezenier laatste kruisteken op het hoofd. 12 militairen laden hun geweer, richten en vuren. Het vuur is niet gericht op de vijand; de soldaat kreeg geen laatste zegen voor een zelfmoordaanval op de Duitse linies. Het vuur was gericht op hem. Paul Vandenbosch werd gefusilleerd. Niet met enthousiasme, de executeurs waren hevig onder de indruk. Misschien vonden zij troost in de gedachte dat het een rechtvaardige straf was. Vandenbosch had zijn vaderland verraden, zo luidde het verdict.

Executie is wellicht de zwaarste straf die een soldaat kan krijgen. Het is immers de straf voor verraad, bijvoorbeeld door spionage of serieuze sabotage. Of door dienstweigering. Vandenbosch had geweigerd in de loopgraven te blijven. Niet 1 keer, maar viermaal. Onacceptabel in de lente van 1915, toen het Belgische leger zich vastklampte aan het laatste stuk Vlaanderen dat nog niet veroverd was door de Duitsers.

‘Te veel angst’

Veel hing af van het standhouden aan de IJzer: braken de Duitsers door, dan waren strategische havensteden als Duinkerken verloren en kwam heel de geallieerde verdediging in gevaar. Bovendien had het Belgische leger met een tekort aan opgeleide soldaten; Vandenbosch had zich in 1914 vrijwillig aangemeld. Al met al de rechtvaardige executie van een lafaard, of niet?

Een simpel psychologisch feit werpt ander licht op de zaak. Onderzoek wijst uit dat soldaten, zelfs al staan ze kansloos tegen een overmacht, tot de dood toe voor elkaar vechten. Uitzonderingen hierop zijn soldaten die psychologische problemen naar het leger hebben meegenomen of die in hun eenheid buitenbeentjes zijn. Geen van beide het geval bij Vandenbosch. Zijn superieuren tastten dan ook in het duister over het waarom van zijn vluchtgedrag – tot de soldaat bij de laatste ondervragingen opbiechtte ‘te veel angst’ te hebben. Zijn meerdere onderluitenant Van Autrive wees erop dat Vandenbosch in zijn wachtpost twee kameraden had verloren. Hij was nadien niet meer dezelfde man. Voor de krijgsraad geen verzachte omstandigheid, getuige zijn executie.

Voor ons is het moeilijk te begrijpen wat het is om in een ongetwijfeld krappe wachtpost te liggen, vlakbij de vijandelijke linie, en voor je ogen 2 medesoldaten te zien sterven. Het dichtst bij begrip voor de impact daarvan, komen wij door Vandenbosch te zien als slachtoffer van oorlogstrauma. Specifiek leed hij aan oorlogstrauma, toen shell shock geheten en nu het Posttraumatisch stresssyndroom (PTSS).

Initiële symptomen van oorlogstrauma zijn onder andere zenuwtics, angstaanvallen en wat de Britten de thousand yard stare noemden (zie foto volgende pagina). Houdt het trauma aan, dan kan de diagnose PTSS gesteld worden. Het effect van PTSS is dat de soldaat niet meer normaal kan functioneren. Hoezeer hij ook zijn kameraden wil bijstaan, hij wordt weerhouden door een mentale blokkade – vaak opgeworpen door één bijzonder schokkende gebeurtenis die als druppel de emmer heeft doen overlopen, zoals bij Vandenbosch met de dood van 2 kameraden. Die blokkade kan zich uiten in bijvoorbeeld het onvermogen te spreken of te slapen.

Intense stress

Vandenbosch was geen uitzondering in de loopgraven. Shell shock werd steeds frequenter naarmate de oorlog intensiveerde. Bij de Slag om de Somme (1916) leed naar schatting 40% van de Britse soldaten er min of meer aan. Tegen die tijd was een aanvankelijk conventionele oorlog – de legers trokken in augustus 1914 tegen elkaar op in grote velden, met paarden – geëvolueerd tot een statische strijd waarin soldaten gedwongen werden lange artilleriebombardementen te ondergaan en bij aanval zeer dicht bij de vijand te komen. Dat bracht intense stress met zich mee, zoals de Duitse officier Ernst Jünger levendig beschreven heeft:

‘Uren beleefd zoals die waren ongetwijfeld de verschrikkelijkste van de oorlog. Je krimpt ineen in je schuttersputje en voelt je prijsgegeven aan een onbarmhartige, blinde vernietigingsdrang. Met afgrijzen voel je dat je hele intelligentie, je vaardigheden, je geestelijke en lichamelijk voordelen tot onbetekenende, lachwekkende zaken verworden zijn. Al kan, terwijl je dit denkt, het ijzerstuk zijn suizende vaart begonnen zijn, om jou tot een vormeloos niets te vermorzelen. Je onbehagen concentreert zich op het gehoor, dat het aanvliegen van de doodbrengers van de vele ruis probeert te onderscheiden.’

Een versterkende factor van de traumatisering was het gebrek aan goede opleiding en de jonge leeftijd van de soldaten. De minste kans op blijvend psychisch letsel loopt een militair die wat ouder is, relatief lang en intensief getraind heeft en een hechte band heeft met zijn eenheid. PTSS komt dan ook het minst voor bij commando’s, zo blijkt uit onderzoek van het Amerikaanse leger. Bij hen zijn deze drie voorwaarden meestal aanwezig.

De jongens die tijdens de Eerste Wereldoorlog de loopgraven ingingen, kwamen daarentegen vaak net uit de schoolbanken, kregen meestens formaliteiten als in formatie marcheren geleerd en kwamen in eenheden waar oudere soldaten hen niet snel accepteerden – je wist niet hoe uit het vizier van scherpschutters te blijven dus je was gevaarlijk om bij in de buurt te zijn, en waarom emotionele energie verspillen aan een groentje dat waarschijnlijk bij de volgende aanval sneuvelt?

Behandelingen

De jongens die de eerste weken overleefden raakten dikwijls in shell shock. Maar ook veteranen die experts geworden waren in loopgravenoorlog, leden eraan. Zij waren simpelweg te lang blootgesteld aan geweld. Aanvankelijk werd in beide gevallen gesproken over lafheid, of met geluk (voor het slachtoffer) over ‘verwardheid’ door een nabij ingeslagen granaat.

Gedreven door de noodzaak uitval onder de troepen laag te houden, zochten artsen en psychologen naar betere verklaringen. Gaandeweg leerden ze dat oorlogstrauma een primair psychisch verschijnsel is, dat je ook kunt oplopen zonder gebombardeerd te zijn. De behandeling werd aangepast. Gechoqueerde soldaten kregen in veldhospitalen enkele dagen rust. Voor sommigen geen oplossing, want zo dicht achter het front was de artillerie nog hoorbaar; ook mogen we aannemen dat het niet bevorderlijk voor het herstel is als je, doorgedraaid na het aan stukken gescheurd zien worden van je kameraad, na elke slag verse ladingen gewonden met afgeschoten benen en afgerukte kaken ziet binnenkomen.

Ernstige gevallen kwamen in psychiatrische ziekenhuizen, ver weg van het strijdgewoel. De psychiatrie stond destijds nog in de kinderschoenen – het was de tijd dat psychoanalist Sigmund Freud vrijelijk speculeerde over ‘oorlogsneurose’ als zielsstrijd tussen de oude, vreedzame en de nieuwe, gewelddadige ik. De meeste psychiaters kozen voor meer conventionele middelen dan speculatie en pasten elektrocutie toe. (Tegenwoordig wordt dat op basis van de nieuwste medische inzichten weer gebruikt bij veteranen.)

Schaamte

Bij PTSS kan medische behandeling helpen, maar herstel is voornamelijk een kwestie van veel praten en gedragsoefeningen doen. Vooral het praten schoot er bij de ernstige gevallen tijdens de Eerste Wereldoorlog bij in. De schaamte voor het trauma was enorm. Het leger en de psychiatrie begon wel in te zien dat het mentaal letsel is waar niemand voor kiest, het thuisfront dacht nog in termen van lafheid, landverraad en verwijfdheid. Dit stigma was zeker niet bevorderlijk voor het herstel: snelle integratie in de samenleving en het bereiken van hoge sociale status worden bij oorlogstrauma gezien als belangrijke herstelfactoren.

De schaamte was bij sommigen zo groot dat ze vrijwillig terugkeerden naar het front. Een tragisch voorbeeld is de bekende Engelse oorlogsdichter Siegfried Sassoon. Door trauma moest hij terug naar Engeland, maar kon het niet verdragen te horen hoe zijn kameraden afgeslacht werden. Hij meldde zich weer aan voor frontdienst en was teleurgesteld in zijn aanstelling bij een bataljon in Egypte, omdat daar minder kans was gedood te worden. Uiteindelijk belandde hij alsnog in Frankrijk, waar hij tussen euforie en doodsangst diende.

Sassoons bereidwilligheid terug te keren naar de hel van de loopgraven staat in sterk contrast met het dominante beeld van hem als grote aanklager van de oorlog. Zoals meer strijders had hij een Januskop: enerzijds wilde hij bijdragen aan de strijd en daar eeuwig heldendom vinden, anderzijds joeg de strijd bij hem onvoorstelbare angsten en grote afkeer op.

Thuiskomst

De meeste veteranen werden niet psychisch gebroken tijdens de oorlog: zij bleven op hun post tot de wapenstilstand van 11 november 1918. Na eervol ontslag keerden zij huiswaarts, om een normaal leven als gezinshoofd en werknemer op te bouwen (of voort te zetten). Zij moesten als een stukje terug in de grote puzzel van de samenleving. Hoe moeilijk alleen dat was, beschrijft de Vlaamse oud-strijder Jef Vermeiren:

‘Nu stelde ik met ontzetting vast dat mijn jong leven voorbij was. Als ik thuis vertrok was ik nog nauwelijks een kind, nu was ik plots volwassen zonder dat ik de normale omgang had gekend. Waar anderen, beschut en veilig, stilaan in hun gezin volwassen werden, had ik die periode doorgemaakt in angst en modder, met rondom mij enkel dood en vernieling. Opeens zag ik de toekomst voor mij als een leegte waartegen ik mij niet opgewassen voelde. Wat zou ze mij brengen? Hoe zou ik die moeten doorbrengen? Gedurende de laatste jaren had ik slechts leren denken van dag tot dag van aanval tot aanval. Telkens als de avond inviel was ik gelukkig dat ik nog leefde en hoopte dat ik de volgende morgen zou halen. Nu voelde ik ineens de verantwoordelijkheid voor gans mijn verder leven, waar niemand mij op had voorbereid.’

Vermeiren schreef zijn getuigenissen in de jaren 1970, toen PTSS al meer bespreekbaar was. In de jaren na 1918 bleef het taboe. Een uitzondering vormde Robert Graves’ autobiografie Goodbye to All That, gepubliceerd in 1929, waarin hij openlijk getuigde van zijn aanpassingsproblemen na terugkeer:

‘Ik was nog steeds mentaal en nerveus ingesteld op oorlog. Granaten ontploften op mijn bed ’s nachts, ook al lag ik daar met Nancy; vreemden kregen bij daglicht de gezichten van vrienden die gedood waren. (..) Mijn handicaps waren talrijk: ik kon geen telefoon gebruiken, ik voelde mij ziek telkens als ik met de trein reisde, en meer dan twee nieuwe mensen zien op één dag hield mij uit mijn slaap.’

Als wij via deze literaire getuigenissen ook maar een beetje begrijpen hoe groot de impact van strijd is op jonge geesten, zien wij dat de loopgravenoorlog veel meer slachtoffers had dan de doden en gewonden. Een hele Europese generatie heeft een leven lang onheelbare wonden op de ziel meegedragen.

Afghanistan

De generatie die in de loopgraven vocht, is met het sterven van de Britse veteraan Harry Patch in 2009 voorgoed verdwenen. Ondertussen is er een nieuwe generatie van Europeanen en (vooral) Amerikanen die strijd levert in oorden als Afghanistan. De meesten van hen komen relatief ongeschonden uit de oorlog: zij blijven nachtmerries houden, maar kunnen met therapie en het geduld van naasten weer een plaats vinden in de samenleving.

Toch zijn thuisgekomen soldaten tot op zekere hoogte vreemden geworden, dikwijls verslaafd aan de spanning van het vechten om je leven. Journalist Sebastian Junger verwoordt het in War (2010), een verslag van 15 maanden met Amerikaanse troepen in het (destijds) onveiligste dal van Afghanistan, als volgt: ‘misschien is de ultieme wond de wond die zorgt dat je de oorlog mist waarin je haar opgelopen hebt’.

Junger geeft het voorbeeld van soldaat Brendan O’Byrnes aanpassingsmoeilijkheden in de burgerwereld. Maanden na dienstontslag schrijft hij Junger: ‘Het is alsof ik zelfvernietigend ben, trachtend het moeilijkste ding mogelijk te vinden om mij geslaagd te voelen. Veel mensen vertellen me dat ik alles kan zijn wat ik wil zijn. Als dat waar is, waarom kan ik dan niet een fucking burger zijn en een fucking normaal leven leiden?’

Kyle

In het stervensjaar van Harry Patch nam toevallig de Amerikaan Chris Kyle dienstontslag. Hij vergaarde roem als scherpschutter in Irak, waar hij 160 vijanden neerschoot (hijzelf claimde 255). Zijn memoires American Sniper (2012) werd een nationale bestseller. En het leek erop dat hij de dans van PTSS ontsprongen was.

Kyle gebruikte de opbrengsten van zijn boek en zijn roem voor de behandeling van getraumatiseerde en gehandicapte veteranen. PTSS eist sinds 2012 meer dodelijke slachtoffers in het Amerikaanse leger dan het vuur van de strijd. In dat jaar pleegden 177 dienende militairen zelfmoord – een statistiek waarin naar het burgerleven teruggekeerde militairen niet in opgenomen zijn.

Kyle geloofde in een onconventionele plaats als therapie voor PTSS: de schietbaan. Hij nam PTSS-patiënten mee naartoe om te schieten. Op 2 februari 2013 werd het hem fataal. Anders dan Paul Vandenbosch, gefusilleerd vanwege zijn eigen trauma, werd Kyle neergeschoten door een doorgedraaide veteraan. De soldaat had de oorlog wel verlaten, de oorlog niet de soldaat.

Rutger Schimmel