Een wereldtentoonstelling gekneld tussen Parijs en Berlijn

In 1994 publiceerde de Parijse Sorbonne de lijvige doctoraatsverhandeling van de Franse historica Marie-Thérèse Bitsch, La Belgique entre la France et l’Allemagne. 1905-1914. In deze schitterende studie bracht Bitsch de Franse inmenging in Vlaanderen onder de aandacht, ook ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling van 1913 in Gent.

De jaren voor de Eerste Wereldoorlog zat de Vlaamse beweging in de lift. De eis tot de vernederlandsing van de Gentse Universiteit stond hoog op de agenda. In 1905 vierde België zijn 75-jarig bestaan met triomfalistische plechtigheden en andere initiatieven, zoals de 3 wereldtentoonstellingen van 1905, 1910 en 1913. Naar aanleiding van die laatste organiseerde Frankrijk zowaar een offensief tegen de Vlaamse beweging en de ‘flamingants’.

Doelbewuste Franse taalpolitiek in Vlaanderen

De Franse verklaringen omtrent de 3 elkaar snel opvolgende tentoonstellingen lieten geen twijfel bestaan over de Franse bedoelingen. Bij de expo in Luik in 1905 luidde het dat het om meer ging dan ‘commerciële’ belangen, een refrein dat bij de volgende tentoonstellingen almaar zou worden herhaald. Wat dan wel, zetten de Fransen in september 1905 in de verf. Frankrijk organiseerde toen in Luik een vierdaags congres over de uitbreiding van de Franse taal ter versterking van de Franse cultuur.

In 1910 was het de beurt aan Brussel. De grote buren leverden grote inspanningen om hun land zo aantrekkelijk mogelijk voor te stellen, al heeft Duitsland omwille van de hoge kosten even geaarzeld om deel te nemen. Uiteindelijk hielden de oosterburen het vooral bij een economische inbreng. Frankrijk daartegen spaarde kosten noch moeite ter ondersteuning van Franstalige initiatieven. Er werden zelfs Franse scholen gesticht. Ook de Franse Kamers van Koophandel lieten zich niet onbetuigd. Meermaals was de Vlaamse beweging kop van Jut.

De Vlaamse beweging werd gehoond als een gevaar voor de Franse taal, cultuur en beschaving en voor het hele ‘Grand français’. De Franse taalpolitiek, vanouds een onderdeel van het Franse buitenlandse beleid, bestaat niet uit eendagsvliegen. Al in 1898 kwam in Gent de Association flamande pour la vulgarisation de la langue française tot stand. En met succes! Na enkele jaren telde ze in Gentse al meer dan 1.000 leden. Daarbij werd een beroep gedaan op de Alliance française, nog altijd het Franse taalpolitieke instrument bij uitstek in het buitenland. De Parijse Comédie française verveelvoudigde haar optredens in Vlaanderen.

De al genoemde Association – de ‘vulgarisateurs’ zegden de flaminganten – organiseerde cursussen Frans. Officieel heette het ‘pour encourager et répandre l’étude et la pratique de la langue française dans la partie flamande du pays’ – ‘om de studie en het spreken van de Franse taal in het Vlaamse landsdeel aan te moedigen en te verspreiden.

Maar, vooruit! Op naar de wereldtentoonstelling van 1913. Al in 1907 was in het Bulletin de la chambre de Commerce française te lezen: ‘nous voulons, nous aussi, la plus grande France, la France belge’. Naarmate 1913 vorderde, werd het enthousiasme bij Franstaligen, Fransen en francofielen groter en groter. En dat in ‘Gand’!

De Franse ontnuchtering

Op 22 juni 1913 had in de Franse afdeling van de Gentse wereldtentoonstelling een luisterrijke gala-avond plaats. Zelfs koning Albert was uitgenodigd. Maar plots begon een groep studenten onder leiding van de vrijzinnige flamingant Alfons Van Roy (1882-1927) de plechtigheid te verstoren met het geroep van slogans en het zingen van Vlaamse liederen. De Belgische regering minimaliseerde de zaak tot ‘kwajongensstreken’. Die badinerende houding was niet toevallig. De regering trachtte al jaren bij de 2 buurlanden en aartsrivalen Frankrijk en Duitsland indrukken van partijdigheid te versmoren. Ze zat behoorlijk in met het incident.

De Franse historica Bitsch heeft het belang van de Franse inmenging wel degelijk juist ingeschat. Zij ontdekte in de Franse archieven een toon van ontgoocheling. In de eindconclusies van haar werk is zij vernietigend voor de Franse buitenlandse politiek ten overstaan van België en Vlaanderen. De vrees voor het ‘Franse gevaar’ lijkt haar even terecht als de vrees voor het Duitse gevaar. Frankrijk gedroeg zich in Vlaanderen ‘als in een veroverd gebied’ – ‘et (la France) se conduit en Flandre courne en pays conquis’, is zelfs haar slotsom – p.517.

Erik Vandewalle