Eisen aan goede journalistiek

‘Ons-kent-ons’-sfeertje verschraalt debat

De kwaliteit van onze democratie hangt af van de informatie waarop de kiezer kan steunen om zich politiek te positioneren. Daarom rust een grote verantwoordelijk-heid op de media en de journalistiek. Hierover praatten we met dr. Luc van Doorslaer, kenner van de media en journalistiek in theorie en praktijk.


De informatiestroom is gigantisch. Hoe filteren de media die toevloed en speelt taal daarin een rol?

Taal is helemaal geen neutrale geleider. Dat blijkt uit onderzoek naar de wisselwerking tussen taal en de buitenlandberichtgeving in België. Als die berichtgeving taalneutraal was, zou je geen verschillen zien tussen de Franstalige en de Vlaamse pers. Het tegendeel is waar. In de Nederlandstalige kranten komen de Verenigde Staten, Frankrijk, de Europese Unie, Groot-Brittannië, Nederland en Duitsland in dalende orde aan bod, zonder grote verschillen in gradatie. Het plaatje oogt helemaal anders in de Franstalige pers. Daar staat Frankrijk uitgesproken op kop, op ruime afstand gevolgd door de VS, de EU enzovoort.

Hoe verklaart u dat de Vlaamse pers meer aandacht schenkt aan Frankrijk dan aan Nederland, als taal zo belangrijk is in de nieuwsselectie?

Taal is een belangrijk, maar niet het enige criterium in de selectie van nieuws, in vakjargon de zogenaamde gatekeeping. Dat er in Vlaanderen nog veel aandacht bestaat voor Frankrijk is historisch bepaald. België is opgericht als een Franstalige staat, waarin de media zich vrijwel alleen op Frankrijk richtten. Zelfs toen Vlaanderen geleidelijk aan vernederlandste bleef die oriëntatie bestaan. De Vlaamse media halen nog altijd veel buitenlandinformatie op bij het Agence France Presse (AFP). Dat geldt nog meer voor de Franstalige pers. Daaruit blijkt ook dat Franstalig België heel wat minder kosmopolitisch is dan het zich voorhoudt. Want het doet – in tegenstelling tot Vlaanderen – haast uitsluitend een beroep op Franstalige persdiensten en media.

Is die sterke oriëntatie van de Vlaamse media op Frankrijk nog relevant?

Zoals gezegd valt die fixatie historisch te verklaren. Maar ze mag naar mijn opinie vanuit een modern Europees perspectief wel ter discussie worden gesteld. Hetzelfde geldt voor het talenonderwijs in Vlaanderen. Wat meer pragmatisme zou op zijn plaats zijn. Je kan er niet omheen dat landsgrenzen door de Europeanisering en de globalisering veel poreuzer zijn geworden. De internationale lingua franca is het Engels. Daarom volg ik minister van Onderwijs Pascal Smet in zijn pleidooi voor Engels als 2de taal in Vlaanderen. Maar laten we daarnaast ook kiezen voor een zo goed mogelijke kennis van de andere 2 talen die we als buren hebben: het Frans en/of het Duits. Wie vooral op Brussel gericht is of in Zuid-West-Vlaanderen woont, zal allicht eerder voor Frans kiezen. Maar dat is al veel minder vanzelfsprekend in bijvoorbeeld de Antwerpse haven of in Limburg. Een keuze tussen Frans en Duits zou de Belgische fixatie op de zuiderbuur wat minder streng maken. België ligt niet meer in het centrum van Europa, vrijwel heel de EU ligt ten oosten van ons. En Duits is veruit de belangrijkste moedertaal van de EU, waarom gebruiken wij als Nederlandstaligen eigenlijk die troef niet van de taal die het meest met de onze verwant is?

Wat kleurt onze berichtgeving nog buiten de taal?

Onderzoek leert dat onze pers ook werkt vanuit historisch bepaalde denkkaders en zelfs vooroordelen. Extreem-rechts, bijvoorbeeld, staat politiek al vele jaren sterker in Frankrijk dan in Duitsland. Maar dat blijkt niet uit onze berichtgeving. Onze media zijn er bij de minste opstoot van extreem-rechts in Duitsland als de kippen bij om hierover te berichten. Verhoudingsgewijs is er veel minder aandacht voor extreem-rechts in Frankrijk, ondanks de successen van het Front National. Dat komt omdat onze media Duitsland nog altijd percipiëren vanuit de verschrikkingen van de nazi’s. De nazitijd en de Tweede Wereldoorlog verklaren ook de grotere aandacht voor Duitsland als er oorlog in het geding is. Terwijl niemand het huidige Frankrijk nog associeert met de bezetting van Europa door Napoleon. Beeldvorming wordt in grote mate bepaald door associaties en herhaling.

Wordt het nieuws ook gekleurd door persoonlijke voorkeuren van journalisten?

In 1999 en 2007 werd gepeild naar het profiel van de Vlaamse journalist, in het bijzonder naar zijn politieke voorkeur. Bij de federale verkiezingen van 1999 stemden zij vooral op 2 partijen, Agalev (bijna 50%) en de SP (bijna 30%). Dat springt in het oog, omdat die partijen maar 11,6% en 15% van de Vlaamse kiezers konden overtuigen. Maar die wanverhouding kleurde (bewust of onbewust) wel de framing – de omkadering, invalshoek en associaties – in vele mediabijdragen. Bij de federale verkiezingen van 2007 waren de verschillen iets minder groot, maar bleven ze erg uitgesproken. Dat zou journalisten tot nadenken en zelfkritiek moeten stemmen.

Federale verkiezingen 2007 Kiesintentie journalisten Partijvoorkeur bevolking
Sp.a.-Spirit 34 16,2
Groen! 20 5,9
Open VLD 20 20
CD&V-N-VA 18 31,4
LDD 2 5,5
Vlaams Belang 1 19,2

In hoeverre wegen hun persoonlijke voorkeuren op de mediabedrijven?

Uit het links-progressieve profiel van de meeste Vlaamse journalisten mag je niet automatisch besluiten tot een overwegend links of progressief karakter van de media. De media-inhoud wordt ook bepaald door andere factoren zoals de redactionele lijn, commerciële overwegingen en het lezerspubliek. In 2003 vonden de meeste Vlaamse beroepsjournalisten (53%) zichzelf trouwens progressiever dan het medium waarvoor ze werken. Dat neemt niet weg dat als vele gelijkgezinden samenwerken op een redactie, het gevaar dreigt van journalistieke vernauwing, waarbij dezelfde thema’s vanuit hetzelfde uitgangspunt worden behandeld. Vaak wordt ook een beroep gedaan op dezelfde opiniemakers. Dan zie je op TV telkens weer een beperkte groep van ‘studiogasten’ opduiken, die hieraan autoriteit ontlenen, zelfs over onderwerpen die buiten hun expertise vallen. Al heb ik de indruk dat er de laatste tijd meer gedifferentieerd wordt, dat is een gezonde evolutie.

Is dit niet nog delicater in het geval van een openbare omroep zoals de VRT?

Het is sowieso al journalistiek neteliger voor een televisieredactie dan voor een krantenredactie, omdat wordt aangenomen dat televisie een grotere maatschappelijke invloed heeft. Voor een openbare omroep geldt dat nog des te meer. Over de rol van de VRT bestaan heel wat misvattingen. Dikwijls wordt de openbare omroep verdedigd omdat hij anders dan de commerciële zenders kwaliteit zou garanderen. Maar dat is te snel door de bocht. Want eenieder geeft zijn invulling aan ‘kwaliteit’, van de fans van Laura Lynn tot de liefhebbers van de Koningin Elisabethwedstrijd. Soms wordt aangehaald dat de VRT een meerwaarde biedt door een ‘culturele correctie’ op het aanbod van de commerciële omroepen. Daar ben ik het principieel wel mee eens, maar hoe groot is die culturele correctie in het totale aanbod? Op de fundamentele vraag, waarom we ons met de openbare omroep een luxe voor radio en televisie veroorloven die we ons niet permitteren bij het uitsluitend commerciële circuit van kranten en uitgeverijen, wordt geen afdoend antwoord gegeven. Allicht heeft die bevoorrechte positie ook te maken met belangenverstrengeling, met de invloed van een groep die zichzelf in stand houdt en dus met machtsuitoefening.

Kan u een voorbeeld geven van dergelijke belangenverstrengeling?

Een paar jaar geleden heb ik in een essay Marc Reynebeau aangehaald. Intelligent, humoristisch en welbespraakt is Reynebeau een dankbare studiogast bij de VRT. Maar hij baadt soms ook in het ‘ons-kent-ons’-sfeertje dat in se tegenstrijdig is met de essentiële principes van journalistieke onafhankelijkheid en woord en wederwoord. Het gamma aan thema’s waarover Reynebeau een tijdlang als ‘expert’ werd opgevoerd deinde almaar uit: het koningshuis, Congo, identiteit, literatuur, de communautaire problematiek en ga zo maar door. Zijn voorkeuren zijn vaak vrij uitgesproken. Omdat ze overeenstemmen met de gangbare mening van de meeste collegae bij de VRT, hebben ze echter een versterkend effect. Verbaast het dan wanneer Reynebeau in zijn eigen krant ook graag de verdediging van de VRT op zich neemt? Het is allemaal erg menselijk, maar als journalistiek principe ook bedenkelijk.

Wordt hiertegen dan nooit gereageerd?

Een bekende hedendaagse criticus is ongetwijfeld Jean-Pierre Rondas, radioproducer op rust. In een 11 julitoespraak van 2010 bijvoorbeeld stelde hij dat ‘de Vlaamse audiovisuele en gedrukte kwaliteitsmedia zwaar aanleunen bij de Belgisch-unionistische opinie’. Toen hij nog werkte als producer liet Rondas in zijn programmering nadrukkelijk ruimte voor het Vlaamsgerichte perspectief, als een ‘gezonde correctie op een veralgemeende vertekening’. Dat hem daarbij geen strobreed werd in de weg gelegd, toont dat de VRT niet de actief censurerende instantie is waar ze in sommige kringen voor doorgaat. Het is veeleer het passieve ‘ons-kent-ons’ dat bepaalt welke opinies worden meegegeven. Elke individuele journalist heeft uiteraard recht op zijn persoonlijke politieke en ideologische overtuiging, maar het is de kunst om die niet te laten doorschemeren in het journalistieke werk. Je kon nogal wat bedenkingen hebben bij de interviewtechnieken van Siegfried Bracke, het pleit alleszins voor zijn journalistieke integriteit en professionaliteit dat zowat alle collega’s erg verbaasd waren toen hij naar de N-VA trok. Het betekent dat hij zijn persoonlijke voorkeur ondergeschikt kon maken aan zijn interviewwerk. Daarin onderscheiden de sterkste politiek journalisten zich.

De wassende Vlaamse vraag naar meer autonomie ligt ook in het artistieke milieu niet goed in de markt? Waaraan moeten we dat toeschrijven?

Je mag de onwetendheid en het simplisme in een deel van die kringen niet onderschatten. Vlaamse autonomie roept in deze kringen nog connotaties op naar het activisme tijdens de Eerste en meer nog de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar hun beeld over die periodes is vertekend. Ik beperk me tot de Eerste Wereldoorlog, omdat ik mijn doctoraat heb gewijd aan Duitse vertalingen van Vlaamse literatuur in de Grote Oorlog. De Duitsers speelden met hun Flamenpolitik in op de Vlaamse grieven, met de vernederlandsing van de Gentse universiteit als opvallendste maatregel. Gewichtiger was echter nog dat ze plannen hadden voor een herinrichting van België, plannen die een voorafspiegeling waren van wat ruim een halve eeuw later met de staatshervormingen effectief werd gerealiseerd. Maar wie is daarvan op de hoogte? De Vlaamse artistieke avant-garde was toen trouwens overwegend Vlaamsgezind.

In artistieke kringen wordt ook op de korrel genomen dat een Vlaamse meerderheid is gewonnen voor een strenger migratiebeleid. De Franstaligen worden als meer solidair voorgesteld. Hoe staat u daartegenover?

Migratie is van alle tijden. Dat wordt terecht vaak aangehaald. Daarbij wordt dikwijls verwezen naar het verleden, zoals de migratie na de val van Antwerpen in 1585. Dr. Gustaaf Asaert beschrijft die migratie in De val van Antwerpen en de uittocht van Vlamingen en Brabanders. Er was inderdaad een massale vluchtelingenstroom naar de Noordelijke Nederlanden, Duitsland, Frankrijk en Engeland. Asaert wijst er echter op – en dat wordt meestal gemakshalve vergeten – dat de integratie van deze nieuwkomers niet altijd van een leien dakje liep. In Engeland bijvoorbeeld was de instroom soms zo groot dat de migranten in sommige plaatsen zoals Sandwich de autochtone bevolking in aantal overtroffen. Die plaatselijke bevolking reageerde gepikeerd op de welstand van de immigranten. Er werd zelfs een spreidingsbeleid ontwikkeld om de integratie te vergemakkelijken. Als Vlaanderen nu eisen stelt aan migranten, is er dus niets nieuws onder de zon. Je mag van migranten verwachten dat ze zich conformeren aan de grondwet en de wetten in hun nieuwe thuisland. Dat vereist respect voor de seculiere inrichting van onze samenleving en kennis van het Nederlands, want zonder taalkennis is gemeenschapsvorming en democratische samenhang onmogelijk.

Moeten we, wat we vragen van migranten, ook niet vragen van onze premier, dat hij zich op een verstaanbare wijze in het Nederlands zou uitdrukken?

De gebrekkige kennis van het Nederlands bij Di Rupo is vooral van symbolisch belang. Het maakt griezelig duidelijk hoe ver beide landsdelen van elkaar staan. Fundamenteel lijkt me dat de huidige regering, steunend op een grote Franstalige meerderheid en een Vlaamse minderheid, zo onwaarschijnlijk onevenwichtig is samengesteld. Ook dat is indicatief voor de voortschrijdende ontmanteling van België. De constructiefout zat er vanaf het begin ingebakken. Voor mij is het een oerconservatieve gedachte om een staat met een constructiefout te blijven verdedigen. Als iets fundamenteel niet goed werkt, kun je als progressief denkende toch alleen maar naar verbetering en verandering streven? Dat hoeft niet via een staatsnationalistisch project. Vlaamse onafhankelijkheid mag geen doel op zich zijn. De tijd van de klassieke natiestaten is voorbij. Staten zijn enkel van belang als middel om een beleid ten dienste van de burger te voeren. In de huidige situatie lijkt Vlaanderen mij daartoe het meest geschikt. Het kan zijn meerwaarde nog verhogen door samenwerking met Nederland, bijvoorbeeld onder de noemer Lage Landen. Die samenwerking zou tot iets nieuws en moois kunnen leiden. De verhouding Vlamingen – Franstaligen is binnen de Belgische context voor altijd te beladen. Goed nabuurschap is veel essentiëler en moderner dan Belgisch staatsnationalisme.

Guy Leemans

Dr. Luc Van Doorslaer, doctor in de Letteren, is een doorgewinterd journalist. Maar als docent in de journalistiek kijkt hij ook kritisch naar zijn vakgebied. Zijn onderzoek richt zich vooral op het raakvlak tussen vertaalwetenschap en journalistiek.