Europese Commissie is voordeel voor Belgische politicus, nadeel voor Europese volkeren

‘Alles wat er de afgelopen honderd jaar is misgegaan in Europa, is het gevolg van nationalisme’, aldus eurocommissaris Karel De Gucht op 4 augustus in Knack. Amper twee weken later kondigde Yves Leterme aan niet deel te nemen aan de (federale en Vlaamse) verkiezingen van 2014. Wat hebben deze twee politieke statements met elkaar van doen? Beiden getuigen van een tomeloze ambitie supranationale instellingen te leiden in een oorlog tegen de naties, die sinds kort een herwaardering zijn ondergaan bij kritische kiezers.

Leterme is voor die strijd nog niet op de gewenste plaats. De CD&V’er werkt momenteel bij de OESO, een obscuur hersteloord voor staatsmannen die door lastige kiezers moe geplaagd zijn. Ze schrijven er over ‘economische ontwikkeling’ rapporten die door beslismakers als Angela Merkel direct in de vuilbak gesmeten worden, maar hebben een indrukwekkend lijkende functie (Leterme is adjunct-secretaris-generaal) en verdienen uiteraard een goed belegde boterham.

Leterme dut nu twee jaar onder de OESO-boom, het maximum voor als je nog echt wil meetellen. En dat wil hij. Yves ambieert niets anders dan het voorzitterschap van de Europese Commissie. Zijn afmelding voor 2014 is een duidelijk signaal aan de Europese Volkspartij – de christendemocratische fractie in het Europees Parlement – dat hij vrij is als haar kandidaat voor het voorzitterschap.

Geeft EVP hem de zegen, dan heeft Leterme de concurrentie van Guy Verhofstadt en Martin Schulz, kandidaten van respectievelijk de liberalen en de socialisten. Leterme is een veel minder bekend gezicht, maar de EVP is de grootste en dus machtigste partij in het Europees Parlement. Hij maakt een reële kans. Al wil De Gucht door als Europees Commissaris, en elk land kan er maar één leveren.

Zevende hemel

Voorzitter van de Europese Commissie, het zou voor Leterme (net als elke andere machtshongerige politicus) de zevende hemel zijn. De voorzitter is feitelijk president van de Europese Unie, maar hoeft anders dan een normaal staatshoofd niet om de zoveel jaar naar de stem van de kiezer te dingen. Evenmin wordt hij lastig gevallen door een parlement: het Europese mag slechts amendementen toevoegen aan door de Commissie voorgestelde wetgeving, en is dus mak als een lammetje.

De voorzitter van de Europese Commissie staat in de politieke bestaansorde op dezelfde plaats als de Heilige Moeder Maria in de katholieke bestaansorde. Hoger kan een schepsel niet geraken. Je zou ook verwachten dat in de Europese Unie je net als in het katholicisme hogerop in de bestaansorde komt door nederig te zijn. Zalig zijn de nederigen van geest, vooral in een tijd van groeiende werkeloosheid en depressieve economieën.

Maar bij de eurocommissarissen is van nederigheid geen spoor te vinden. Met werkelijk alles houden ze zich bezig: van het verbieden van mentolsigaretten (want verlaagt de drempel voor tienermeisjes om te roken) tot het verplichten van schoeisel met goede grip in kapsalons (lidstaten kunnen dat blijkbaar zelf niet reguleren, denkt men bij de Commissie). Er is tijd voor, want elke lidstaat heeft een eigen eurocommissaris. Enkele jaren geleden hield de Roemeense zich bijvoorbeeld alleen bezig met de meertaligheid van Europese burgers.

Mythologie

De eurocommissaris rechtvaardigen de regelzucht door geregeld het vingertje te heffen ter waarschuwing tegen het nationalisme. De Guchts uitspraak dat al het onheil door het nationalisme komt, staat niet op zichzelf. De Europese Commissie onderhoudt een hele cultus gebouwd op anti-nationalisme. De tempel van deze cultus is concentratiekamp Auschwitz. Het eerste bezoek van elke nieuwe voorzitter van de Commissie is aan dit adres. Daar is immers het nationalisme ontmaskert als moordlustige, haatrijke ideologie. Daar is de missie van een beschaafd, verenigd Europa geboren.

Deze geschiedvervalsing zou lachwekkend zijn, ware het niet dat zij over de ruggen van miljoenen doden gepleegd wordt. Het is een leugen dat de ovens van Auschwitz opgestookt werden door nationalisme. Mensen moesten meestal naar Auschwitz omdat ze joods, communistisch, zigeuner of homoseksueel waren. Of ze Duits, Frans, Hongaars, of van welke nationaliteit dan ook waren, deed er amper toe.

Appeasement

Nog absurder is het preventiemiddel tegen een herhaling van Auschwitz. Dat is eindeloos palaveren aan EU-vergadertafels, in het geloof dat crisisbestrijding in Europa een kwestie is van nationaal veroorzaakte plooien gladstrijken. Daarbij wordt abstract over cijfers en mechanismen gesproken, want concreet spreken over onderlinge haat (de willekeurige Italiaan kan het bloed van een Duitser wel drinken) en militaire dreiging (Griekenland spendeert gigantische bedragen aan defensie), dat durven we niet. Beter geen slapende honden wakker maken.

Waar zagen we dit eerder? Juist: tussen de twee wereldoorlogen. Politici als de Britse premier Neville Chamberlain geloofden dat met wat masseren, toegeven en sussen de vrede bewaard kon worden. Het eindstation van deze appeasement-politiek was Auschwitz.

Juwelen

Wellicht kan de absurditeit van het Europees bochten wringen alleen gevat worden in een nog te schrijven allegorie. Dan is de EU een dorp waar burgers zeer graag juwelen dragen. Eén burger houdt echter zo veel van het glimmende spul, dat hij het van anderen rooft. Uiteraard loopt hij na verloop van tijd tegen de lamp. Verstandige mensen straffen hem weliswaar, maar accepteren ook dat incidentele diefstal de prijs is voor wijdverbreid bezit van juwelen. Plotse dreiging maakt mensen echter onverstandig. Bang dat ze ook bestolen worden, schaffen de burgers het bezit van goud af. Liever dat niemand geniet dan dat één kleptomaan over de schreef gaat.

Ergens wringt deze allegorie. Bij vrijheid accepteren wij enig risico van misbruik. Waarom wel bij de vrijheid om juwelen te dragen, niet bij de vrijheid om je eigen natie te besturen? Anders gezegd: waarom is het nationalisme zo’n boeman dat er om een totale ‘overwinning’ ervan geroepen wordt?

Hier moeten we niet naar politici kijken. Niet zij bepalen de tijdsgeest; de culturele elite doen dat. Schrijvers, artiesten, denkers en journalisten buitelen over elkaar heen om het beweerde kleingeestigheid van de nationalistische burger belachelijk te maken. Vlaamse voorbeelden zijn er meer dan genoeg: er gaat geen week voorbij of Hugo Camps, Yves Desmet of Joost Vandecasteele spuwen op de Vlaamse cultuur (een dociele zelfhaat die ironisch genoeg typisch Vlaams lijkt – zie de verachting van het Nederlands bij de Vlaamse elite vroeger).

Vrijheid in natie en gemeenschap

Wat de culturele elite motiveert is een combinatie van individualisme en staatsdenken. Men ziet het liefst een wereld waarin ieder individu kan doen waar hij of zij zin in heeft – om deze droom draaien alle revoluties waarin de culturele elite van de moderne tijd het voortouw genomen heeft. Vrijheid is evenwel beperkt, anders kan ik de vrijheid nemen anderen te terroriseren. Om vrij te zijn moeten wij elkaars vrijheid erkennen – een toestand van vreedzaamheid.

Hoe komen wij tot een wederzijdse erkenning van vrijheid? Hier is de essentiële onenigheid tussen de anti-nationalist – de De Guchts, Menasses, Desmets van deze wereld – en de nationalist. De laatste gelooft dat de mens het best kan omgaan met zijn eigen en vrijheid en die van anderen, als hij behoort tot een gemeenschap van mensen die dezelfde taal spreken, dezelfde cultureel hebben, hetzelfde gebied bewonen. Dat zijn eerst en vooral vrienden, ouders, partner, collega’s, maar uiteindelijk ook landgenoten.

De staat is hierbij slechts een achtervang voor als de naasten en natie een steek laten vallen. Falen ouders in het voorlichten van hun kinderen over verantwoord alcoholgebruik – in het Vlaams verleden nogal veelvoorkomend -, dan kan de overheid in de bres springen. Echter alleen als er reeds alcoholmisbruik is; anders kan de overheid het probleem niet detecteren.

Totale veiligheid

De anti-nationalist wil dat alcoholmisbruik voor zijn door de overheid alle potentiële gevaren te laten opsporen en aanpakken. Het offert gemeenschapszin en natiegevoel op voor totale veiligheid (die natuurlijk illusoir is). De Europese Unie is hiervoor bij uitstek geschikt. Met een interne markt kan voorkomen worden dat mentolsigaretten uit Frankrijk de gezondheid schaadt van meisjes uit België. Met nationale grenzen is totale veiligheid een lachertje; met de grenzeloze EU is het voor velen geloofwaardig.

Filosofische toeren zijn vermoeiend en zijn in de praktijk meestal nutteloos. Tijden van zware crisis behoeven echter een visie die verder reikt dan de onderbuik diep en de neus lang is. Wij moeten de anti-nationalistische arrogantie en de supranationalistische utopieën van de Europese Commissie (en de Belgische politici die een plaatsje erin aspireren) erkennen als takken van de boomstam die het van staatswege streven naar totale veiligheid is. Pas dan kunnen we wat tussen individu en staat is – natie en gemeenschap -, adequaat verdedigen.

Rutger Schimmel