Franstalige politieke cultuur onder de loep

Waalse ministers pamperen hun achterban

Recent onderzochten 2 Leuvense economen het effect van politieke vertegenwoordiging op financiële transfers in België. Hun resultaten zijn opmerkelijk. Meer federale ministers in een provincie staat gelijk aan meer inkomsten. Bovendien blijken Franstaligen hun rechtstreekse electoraat optimaal te verzorgen.


In het landschap van wetenschappelijke studies over Belgische financiële transfers vinden we over het algemeen één constante conclusie. Er bestaat een miljardenstroom van het Noorden naar het Zuiden van het land. Maar verder dan het verklaren van deze transfers door een sociaaleconomische argumentatie – inkomensverschillen, federaal belastingssysteem, sociale zekerheid – gingen deze studies nooit. Geert Jennes en Damiaan Persyn, verbonden aan het Vlaams instituut voor Economie en Samenleving (VIVES – K.U. Leuven), gooiden het over een andere boeg. Ze zochten naar de mogelijke politieke invloed op gebied van fiscale transfers,  met andere woorden via sociale uitkeringen en personenbelasting per arrondissement. Andere transfers zoals bijvoorbeeld via de vennootschapsbelasting werden niet opgenomen in dit onderzoek.

Door gebruik te maken van Eurostat data hebben zij de periode van 1995 tot 2008 onderzocht, dat wil zeggen de federale regeringen van Dehaene II (rooms-rood), Verhofstadt I (paars-groen) en Verhofstadt II (paars). Het algemene beeld dat zij schetsen is glashelder. Het maakt wel degelijk iets uit of een provincie een federale minister in haar rangen heeft. Als basisregel geldt dan ook: Hoe meer ministers, hoe meer geld voor die provincie. Het verschil per inwoner kan door één minister oplopen tot 36 euro. Jennes en Persyn merkten overigens mooi op hoe ondemocratisch dit is ten opzichte van meer objectieve criteria. Want, hoewel een federale minister kan zorgen voor meer inkomsten voor zijn of haar provincie, maakt de hoeveelheid zetels per provincie helemaal niets uit. Je kan in de dichtstbevolkte provincie van België wonen, maar als je geen minister hebt, dan levert dit je niets op. De Belgische burger moet maar geluk hebben om in de juiste provincie te resideren.

De politieke factoren die meespelen op het vlak van fiscale transfers zijn in het verleden enkel vastgesteld in landen met een meerderheidsstelsel. Dus landen waar een partij in een afgebakend gebied een meerderheid moet behalen om de zetel te veroveren – het zogenoemde first-by-the-post systeem, cf. Groot-Brittannië.

Dat volgens deze VIVES-studie politieke invloed meespeelt in het proportionele verkiezingssysteem van België is – om het zachtjes uit te drukken – ongewoon te noemen. Het gaat hier immers om een stelsel dat minder competitief is, waardoor politici minder prikkels hebben om electorale gebieden voor te trekken.

Franstalige winstmaximalisatie

Het zou echter geen Belgische studie zijn zonder de gebruikelijke communautaire twist. Als we het algemene beeld verder ontrafelen en de VIVES-paper uitvoeriger bekijken, zien we dat een Franstalige federale minister meer transfers kan verzekeren voor zijn provincie dan een Nederlandstalige collega. Dit verschil bedraagt in absolute cijfers 26,4 euro per inwoner. Met andere woorden: voor een Vlaamse provincie maakt het eigenlijk niet veel uit of ze een minister in haar rangen heeft. Het surplus is namelijk verwaarloosbaar. In het VIVES-rapport staat letterlijk te lezen: ‘It appears not to matter for individual Flemish provinces to be “awarded” a minister or not’. Als er in Knack (16-22 november) hierover een artikel verschijnt met de titel: ‘Belgische ministers blijven provincialen’, dan klopt dit inderdaad. ‘Waalse ministers blijven provincialen’ was echter een beduidend betere kop geweest.

Jennes en Persyn leggen de mogelijke oorzaak van deze Vlaams-Waalse afwijking bij het feit dat Nederlandstalige ministers meer kijken naar Vlaanderen in zijn geheel, dan enkel naar hun eigen provincie. Ze verwijzen in deze context naar de vermindering op lasten op ploegen- en nachtarbeid onder de Paarse regering Verhofstadt II. Deze werd uitgevoerd om de Vlaamse automobielsector te helpen. 

Wisselwerking tussen burger en staat

Een andere conclusie die je kan trekken uit dit onderdeel van het onderzoek, is dat Franstalige ministers meer bezig zijn met het pamperen van hun provinciale achterban. Het is een verdere indicatie dat Noord en Zuid een andere politieke cultuur hebben. Voor sommige Franstalige politici is het verzilveren van hun mandaten en het belonen van de eigen – potentiële – achterban weleens prioriteit nummer één. Vooral bij de Parti Socialiste (PS), leeft het cliëntelisme, het verlenen van diensten aan – mogelijke – kiezers door een politicus tijdens zijn mandaat, nog altijd voort. Dit vloeit overigens vaak over tot corruptie, want de grens tussen dienstbetoon en omkoperij is fragiel. Op die manier wordt de groei en bloei van de Waalse economie bemoeilijkt.

De PS heeft een lange geschiedenis van ambtsmisbruik, die te lang is om hier neer te pennen. Wat belangrijker is om te melden, is dat de Waalse socialistische partij nooit werd afgestraft voor haar talrijke corruptieschandalen. Momenteel is ze nog steeds de onbetwistbare politieke leider van Wallonië. Zelfs na de beroemde uitspraak van onze kersverse eerste minister Elio Di Rupo op een PS-congres: ‘J’en ai marre des parvenus’, blijven schandalen de PS teisteren. Recent werd bijvoorbeeld Alain Mathot, de PS-burgemeester van Seraing en zoon van berucht politicus Guy Mathot, in verdenking gesteld van corruptie en het witwassen van geld.

Wat is de reden achter de trouw van het kiezerspubliek van de PS? Het is net dat belonen van de electorale achterban en het cliëntelisme – dat dus meer dan eens overvloeit in corruptie –  dat zorgt voor een hondtrouwe stemmer. Een sterke PS, een sterke overheid en dus een sterk lokaal verankerd politicus kan volgens de modale Waalse burger meer gedaan krijgen. Daarbovenop werd in Wallonië, door de overheersing van de socialistische partij, een zeer uitgebreid overheidsapparaat opgebouwd. Dit zorgt voor een nog grotere afhankelijkheid van de Waalse burger aan de staat.

Vincent Reuter, gedelegeerd bestuurder van de Union Wallonne des Entreprises, heeft dit onlangs op een mooie manier verklaard in een interview met  Knack (19-25 oktober): ‘Maar als uw vraag slaat op wat onze zwakheden zijn, dan zou ik zeggen: de concurrentie tussen de privésector en de overheid. (…) Ze moeten in de eerste plaats opboksen tegen de overheid als werkgever. Walen werken graag voor de overheid’.

Wat heeft Wallonië nu dan wel nodig? Een grondige reorganisatie van zijn economie en een nieuwe politieke cultuur.

Michel Cardon