Gebelgde koning kapittelt Vlaanderen

De Pelswasser moet terugkomen op wat Albert II bij de  – nog – nationale feestdag heeft gedebiteerd. De media hebben maar heel eventjes aandacht besteed aan zoveel koninklijke galgenhumor. Plaatsvervangende schaamte? Of hebben ze van het paleis de bede gekregen dit als een afgesloten kapittel te beschouwen?

Het laatste hebben we blijkbaar nog niet beleefd met de Coburgers, een gebelgde koning inbegrepen. Belgen is niet alleen de verzamelnaam van mensen die via hun belastingen de Coburgers aan een niet onaardig inkomen helpen. Maar het is ook een werkwoord. Belgen, aldus het woordenboek van Dale, betekent oorspronkelijk opzwellen. Zeg maar zich dik maken. En dat heeft Albert gedaan op 20 juli. Voor het aanzien van zijn hele natie heft hij zich behoorlijk boos gemaakt. Op de Vlamingen wel te verstaan, doet professor Marc Lits van de universiteit van Louvain-la-Neuve, met Vlaams geld gebouwd, ons kond. Lits is directeur van het pompeuze Observatoire du récit médiatique en volgens deze bevoorrechte waarnemer heeft de vorst met zijn gebelgde toespraak vooral de leden van de N-VA geviseerd.

Van Daele vertelt overigens nog meer. Direct na het werkwoord belgen volgt het woord Belgenmop, een als aardigheid bedoelde anekdote waarin vooroordelen over de Belgen gelucht worden. Heeft Albert met zijn donderpreek van 20 juli zich hoogstpersoonlijk bezondigd aan de Belgenmoppen? En, zij het ook niet zo aardig, zijn vooroordelen over de Vlamingen gelucht?

Gaat Albert de geschiedenis in als de gebelgde koning? De Pelswasser kende tot dusver De koning drinkt, het prachtige schilderij (1638) van de Antwerpse schilder Jacob Jordaens. Als de vorst eventjes tijd heeft kan hij misschien even gaan kijken naar dit werk, en meteen kennis maken met de Vlaamse kunst. Hij kan er te voet naar toe, het Koninklijke Museum voor Schone Kunsten aan de Regentschapstraat is minder dan een steenworp verwijderd van zijn paleis.

Jordaens liet zich voor zijn meesterwerk inspireren door de Driekoningenspelen die in die tijd erg in trek waren. Op de Bühne werd er duchtig gegeten en nog meer gedronken. Van de partij was de obligatoire hofnar die, zodra de koning naar het glas greep, Vivat, de koning drinkt riep.  De nar zorgde er trouwens voor dat iedereen deze heildronk herhaalde. Wie dat weigerde werd gestraft met een zwarte veeg roet over het gezicht. Naar onze tijd vertaald zijn het de Walen die op Vlaamse kosten een drinkgelag houden. En de zwarte streep roet is voor de Vlaamse incivieken, les boches.

Op zijn beurt heeft Willy Vandersteen zich door Jordaens laten inspireren toen van 1 juli tot 7 november 1947 De koning drinkt in De Standaard publiceerde. Het verhaal verscheen in 1949 als album en is nu schatten waard. Kan de krant het verhaal niet opnieuw publiceren als hulde aan onze gebelgde vorst? In De koning drinkt voert Vandersteen koning Poefke ten tonele, een doodzieke vorst. Hij lijdt  met name aan een droge lever. Wiske brouwt een bier dat de koning helemaal opmontert, en als dank vaardigt hij een bierwet uit waarbij iedereen verplicht wordt het nodige gerstenat te degusteren. Niet moeilijk dat Poefke’s onderdanen voortaan door het leven gaan als De Kannekijkers. Dat welige vertier zint het volk van De Droge Levers overigens niet. Het komt tot een oorlog tussen beide stammen, maar uiteindelijk volgt de verzoening. Ook Vandersteen’s versie van De koning Drinkt kan eigentijds vertaald worden. De Kannekijkers, dat zijn potverterende Brusselaars en Walen, De Droge Levers zijn de Vlamingen die elk gelag moeten betalen. Of het, in tegenstelling tot de versie van Vandersteen, uiteindelijk tot een grote verzoening komt, is meer dan twijfelachtig.

In zijn strip verwijst Vandersteen, zoals hij dat in vrijwel alle strips doet, naar de actualiteit van de dag, toen de koningskwestie en het verblijf van Leopold III in Zwitserland. Ik geloof, laat Vandersteen koning Flupke zeggen, dat ik er beter aan gedaan had mijn volk niet alleen te laten. Dat is maar een gedacht Poefke, reageert Wiske. Begin dan maar al met een villa in Zwitserland te huren. Wordt het niet tijd dat de Coburgers gaan uitkijken naar een optrekje in Zwitserland, nu het met hun koninkrijk duidelijk de slechte kant opgaat? De koninklijke toespraak van 20 juli heeft de populariteit van het huis Coburg in Vlaanderen in elk geval niet gediend.

Wie heeft deze tekst afgescheiden? Is er opnieuw een hofnar in dienst genomen in Laken?  Of heeft de vrome jonkheer Jacques van Ypersele de Strihou, de trouwe dienaar van Albert, uit baloor en verdriet voor zoveel Vlaamse ondankbaarheid voor een keer te diep in het glas gekeken? Ten paleize weten ze niet meer hoe ze het hebben. Decennialang waren de Vlamingen gezagsgetrouwe koninklijke slippendragers, terwijl de Walen, en dan vooral de PS, voor alles wat royalistisch was, vulgaire oproerkraaiers waren. Als toenmalig PS-voorzitter Guy Spitaels boos was op het Hof, en dat gebeurde meer dan Laken lief was, dan had hij het onveranderd over le petit Van Yp. Het kan dus verkeren. Vandaag is het in Laken le petit Bart en le grand Elio.

Eigenlijk ontbreekt in de gebelgde rede van onze dierbare vorst het juiste slotwoord. En dat komt wellicht omdat de Coburgers van België, nochtans van Duitse bloede, niet zo erg vertrouwd zijn met de Duitse cultuur, en nog minder met de schitterende componist Johannes Brahms. Verteld wordt dat Brahms na het zoveelste gepassioneerde dispuut in zijn stamkroeg boos zijn hoed pakte en, voor hij de deur dichttrok, de historische woorden sprak Als ik iemand niet beledigd zou hebben, dan wil ik me hiervoor meermaals verontschuldigen. Dat zou de passende slotzin geweest zijn voor de koninklijke bolwassing van 20 juli. Of volgt die slotzin nog als de Coburgers, zoals Brahms indertijd, definitief hun hoed pakken?

‘Wat de vorst deed’, aldus Guy Tegenbos in De Standaard , ‘was op zijn minst ongebruikelijk. Publiekrechtelijk alleszins, zoals professor van Orshoven opmerkt. Maar ook in nog een ander opzicht. De koning wilde zich tonen als de bondgenoot van het volk, tégen de politieke elite in’. Tegenbos schrijft alleen maar wijze dingen, maar hier vergist hij zich. De koning heeft op 20 juli niet de stem van hét volk, en zeker niet van hét Vlaamse volk vertolkt. Als Albert dat gelooft dan is hij bijzonder slecht voorgelicht door zijn hofhouding. De koning heeft alleen de mening vertolkt van een handvol zongenaamd bevlogen landgenoten die met Shame, Niet in onze naam, en andere Spielereien alleen wat schamele zelfpropaganda bedreven hebben.

Volgens de koning hebben de burgers hun vertegenwoordigers opgeroepen de nodige beslissingen te nemen. Dikke buis voor Albert. Het merendeel van de Vlaamse burgers heeft zijn politici bij de verkiezingen opgeroepen voor meer Vlaanderen te zorgen en doet dat nog altijd. De meerderheid van de Vlamingen, sire, staat onverkort achter zijn vertegenwoordigers die voor het eerst in de onzalige Belgische geschiedenis niet meer willen buigen voor de francofone arrogantie. De politiek, aldus Albert, moet een wederzijdse verstandhouding tussen de gemeenschappen bevorderen  door concrete op de anderen toe te gaan. Door de taal van de anderen te spreken, belangstelling te hebben voor de cultuur van de anderen. Door de anderen beter te verstaan. Dik fout, sire. Voor dit alles is het veel te laat. Zeker als deze striemende woorden, aldus Lits, exclusief voor de Vlamingen bedoeld zijn. Fout zijn altijd de anderen, en dat zijn uiteraard de Vlamingen.

Wist de koning dat hij zich met zijn banbliksems richting Vlaanderen op glad ijs bevond? Blijkbaar ter verdediging verwees hij naar de Britse grondwetspecialist Walter Bageshot, die stelt dat de vorst het recht heeft om te waarschuwen. Ik zou me aan mijn taak ontrekken, aldus Albert, in de typisch Belgische paleisstijl van de gestelde lichamen, mocht ik nalaten aan de risico’s te herinneren die alle Belgen lopen bij een langdurige crisis.  Andermaal fout, sire. De koning, aldus professor Paul van Orshoven, specialist in publieksrecht, heeft zeker het recht om te waarschuwen. Maar alleen binnenskamers. Ook als hij zijn ministers de levieten leest, maakt hij deel uit van het zogenaamde colloque singulier. De koning mag in het openbaar geen mening ventileren. Hij mag zichzelf evenmin in een positie plaatsen waarin hij eventueel ter verantwoording geroepen kan worden.

Dus andermaal gebuisd, sire. Uw raadgevers hadden u beter herinnerd aan het tweede tractaat van John Locke uit 1689 waarin deze Britse filosoof de onderdanen al het recht toekende zich af te zetten tegen zijn heersers, en die zelfs aan de kant te schuiven als ze het welzijn van het volk met de voeten treden. Nog altijd maken de Britten een onderscheid tussen kroon en volk. Als het volk tot de conclusie komt dat een land geen baat meer heeft bij een welbepaalde monarch kan het die dus tot aftreden dwingen.

Zover is het in dit land nog niet. Maar het is wel 5 na 12. Niet alleen voor de belgitude, maar ook voor het verdere emplooi van de Coburgers in dit land. De tijd van een absolute monarchie behoort gelukkig al héél lang tot het verleden. Als Albert iemand de wacht wil aanzeggen dan volstaat het dat hij zich exclusief in het Frans tot zijn onderdanen wendt. De Vlamingen kennen al meer dan 180 jaar de cultuur van de anderen, zij spreken de taal van de anderen nog veel langer. En zij hebben al die jaren niets anders gedaan dan de anderen te verstaan. Meer zelfs, de Vlamingen zijn tot voor kort altijd de willige handlangers van de francofonie geweest. Dat willen ze niet meer zijn. Daar, sire, en daar alleen, ligt het koninklijk kalf gebonden.

J. de Pelswasser