Gekwetsten werden beter af tijdens de Grote Oorlog

Tot diep in de 19de eeuw werden gekwetsten op het veld van eer doorgaans aan hun lot overgelaten. Toen inspireerde mensenvriend Henri Dunant, stichter van het Rode Kruis, tot een ommekeer. Daardoor was de zorg voor gewonde manschappen aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog in volle ontwikkeling. Tijdens de oorlog verbeterde hij nog merkelijk, ook achter de IJzer.

In het najaar van 1914 werd de Duitse opmars aan de IJzer tot staan gebracht. Op zowat 12 km van het front buiten het bereik van de Duitse artillerie, trok De Panne heel wat overheden en diensten aan. Ook de koninklijke familie vestigde zich in de kuststad. Koning Albert legde zich toe op de militaire aangelegenheden. Zijn rol als koning-ridder of koning-soldaat nam al snel mythische proporties aan. Koningin Elisabeth richtte zich met enthousiasme op de uitbouw van de medische voorzieningen en groeide zo uit tot het icoon van de zorgverlening. Uit dankbaarheid voor haar toewijding werd het in december 1914 in gebruik genomen ziekenhuis L’Océan in de wandelgangen het Hospitaal van de koningin genoemd.

Bij het uitbreken van de Grote Oorlog was de wil om iets te ondernemen voor gekwetste militairen nog vrij jong. Tot 1859 was er nauwelijks aandacht voor gewonden op de slagvelden. In juni van dat jaar was de Zwitser Henri Dunant getuige van de mensonterende aanblik van het slagveld van Solferino, waar een coalitie van Franse en Piedmontese-Sardijnse troepen in een bloedig treffen de Oostenrijkers versloegen. Dunant was zo aangegrepen door de ellende van de tienduizenden ongelukkigen die hulpeloos op het slagveld waren achtergebleven dat hij een spontane hulpactie ondernam. Naderhand startte hij een campagne die in 1864 leidde tot het Eerste Verdrag van Génève en de oprichting van het Internationale Rode Kruis. In de navolgende jaren werd de zorg voor gekwetste militairen gaandeweg geprofessionaliseerd door de uitbouw van medische diensten binnen de legers.

Hoe dichter bij het front, hoe beter

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog nam ook het Belgische leger initiatieven om de medische hulpverlening te verbeteren. De invoering van de algemene dienstplicht had de druk op de ketel verhoogd. Volgens de wet moest het leger in 1914 245 artsen, 62 apothekers en 80 paardenartsen tellen. Die aantallen werden in realiteit niet gehaald. Al einde 19de eeuw was er ook een nieuwe categorie zorgverleners in het leven geroepen, de brancardiers. Die moesten ingeval van oorlog gewonden transporteren naar de achterhoede om ze vervolgens over te brengen naar hospitalen. Die brancardiers waren militairen, geen vrijwilligers van het Rode Kruis. Bij het uitbreken van de oorlog waren ze echter nog niet aan de regimenten toegevoegd. Dat was niet het enige minpunt. Over het algemeen verliep de zorgverlening door een gebrek aan ervaring de eerste oorlogsmaanden erg geïmproviseerd. Gewonden werden eerst overgebracht naar verbandposten, waar werd beslist welke slachtoffers eerst naar veiliger oorden moesten worden overgebracht, vaak een hartverscheurende keuze. Bij het zware Duitse offensief van oktober 1914 werden niet minder dan 20.000 gewonden en zieken afgevoerd.

Eenmaal het front gestabiliseerd, nam de improvisatiefase stilaan een einde. De brancardiers waren bij de soldaten sterk in aanzien gestegen omdat ze tijdens de bewegingsoorlog in dikwijls hachelijke omstandigheden op gevaar van eigen leven gewonde frontmakkers hadden geëvacueerd. De praktijk had hen geleerd dat ze zo dicht mogelijk bij de gevechtslinies moesten opereren, met alle risico’s van dien. Niet weinig brancardiers waren gesneuveld. Dat bracht hen er, net als de artsen, toe om gaandeweg maximaal gebruik te maken van de onschendbaarheid van het Rode Kruis. Vanuit hun eerste praktijkervaring beseften ze al snel het belang van snelle diagnoses en eerste zorgverstrekking. Overigens kregen ze niet alleen te maken met oorlogsverwondingen, maar ook met allerlei besmettelijke ziekten zoals tyfus. Die tierden welig door de onderwaterzetting van de IJzervlakte, die een groot deel van de waterhuishouding van West-Vlaanderen had ontregeld.

Professionalisering

Het gebrek aan ervaring in de behandeling van oorlogswonden liet zeker in de beginfase van de oorlog sporen na. Specialisatie in chirurgie en heelkunde was nijpend. Een van de weinige ervaringsdeskundigen was dr. Antoine Depage, een internationaal vermaarde chirurg. Depage had in de eerste Balkanoorlog (1912) voor het Belgische Rode Kruis 4 veldhospitalen in Bulgarije, Servië en Turkije georganiseerd. Daar kwam hij terecht tot het besluit dat de legerhospitalen zo dicht mogelijk achter de frontlijn moeten liggen. Dankzij de onvoorwaardelijke steun van de koningin werd hij de sleutelfiguur in de verbetering van de zorgverlening tijdens de oorlog. Als hoofd van L’Océan kreeg hij de gelegenheid om zijn vernieuwende inzichten in de praktijk te brengen. Dat deed hij met veel elan. Dat de inrichting van het ziekenhuis was toevertrouwd aan het Rode Kruis gaf Depage een grote speelruimte. Die gebruikte hij maximaal, wat hem meermaals in aanvaring bracht met de legertop. Buiten De Panne werden nog ziekenhuizen gevestigd in Adinkerke, Cabour, Hoogstade en Bourbourg. In 1917 kwamen er nog bij in Beveren aan de Leie en in Vinkem. Dat laatste kreeg ook de naam L’Océan, omdat in het voorjaar van 1917 werd voorzien dat De Panne zou worden overgeheveld naar de Britse sector, wat uiteindelijk niet gebeurde. Belangrijk was ook de Belgische basis in Calais. Alles samen waren er oktober 1915 15.000 bedden beschikbaar, in november van hetzelfde jaar zelfs 17.000.

Het ging er in de ziekenhuizen druk aan toe. In L’Océan in De Panne alleen werkten 30 geneesheren, zowat 150 verpleegsters en bijna 500 logistiek-administratieve krachten. Het hospitaal telde 15 medische diensten. De onthaaldienst beschikte voor de eerste opvang over 30 bedden en 2 operatiezalen. Als de gewonden die eerste zorgen overleefden, werden ze overgebracht naar een van de gespecialiseerde medische diensten. Het ziekenhuis was in grote mate autarkisch. De chirurgische instrumenten en kunstledematen werden in eigen huis gemaakt en voor de voedselvoorziening beschikte het over een eigen boerderij. Vanaf november 1914, na de IJzerslag, werden de Duits-Belgische confrontaties kleinschaliger. Daardoor lag het aantal gewonden door ongelukken en uitvallers door ziekte hoger dan het aantal gewonden door vijandelijk vuur. Dat bleef niettemin zijn tol eisen, ook door nonchalance. Toen bijvoorbeeld het gebruik van helmen werd veralgemeend, nam het aantal hoofdwonden af. De soldaten voelden zich veiliger en namen daardoor grotere risico’s. Dat leidde tot meer schotwonden in het hoofd, vooral in de winterperiode. De donkerte gaf een vals gevoel van veiligheid, waarvan sluipschutters profiteerden.

Wie gewond werd in gevechten was er dikwijls erg aan toe. Depage was wat blij dat L’Océan vanaf juni 1916 kon beschikken over een vooruitgeschoven post Sint-Jansmolen op slechts 3,5 km van het front. Op de vooruitgeschoven post konden al eerste, levensnoodzakelijke zorgen worden toegediend. Het ging dan vooral om de verzorging van buikwonden, ernstige uitwendige bloedingen en gevallen van shock. Kwalijk was dat er gemiddeld ongeveer 1,5 uur verliep tussen het oplopen van verwondingen en de opname in de post. Dat was in vele gevallen te lang. Van de 28 slachtoffers van buikwonden die in 1916 naar de post werden gebracht, overleden er 4 tijdens hun transport en 12 tijdens de opvang op de post. De post was trouwens niet de veiligste plek, omdat zijn enige bescherming bestond uit een groot rood kruis op de tentzeilen.

In de loop van 1918 moest meer en meer worden afgerekend met een nieuwe, onbekende ziekte, later gekend als de Spaanse griep. Dat verhoogde de werkdruk, die nog sterk toenam eenmaal de gevechten terug verhevigden. Een grote toeloop van gewonden in het voorjaar en meer nog tijdens het eindoffensief in de herfst van 1918 leidde tot hectische situaties. Op 28 september 1918 bijvoorbeeld kreeg L’Océan in De Panne niet minder dan 1.000 gewonden te verwerken. Pas in de 2de helft van oktober 1918 viel er geen vijandelijk vuur meer te vrezen. De geallieerden drongen toen de Duitsers terug, waarbij artsen en brancardiers werden gedwongen om de infanteristen op de voet te volgen. Een maand later was de oorlog voorbij, maar L’Océan sloot zijn deuren pas in oktober 1919.

Moordende infecties

Tussen 1915 en 1919 werden in L’Océan ruim 24.000 gewonden en zieken verpleegd, in meerderheid militairen maar ook burgers. Hiervan overleden er meer dan 2.000 of ruim 8%. Het sterftecijfer piekte in 1917 (588) en 1918 (562). In 1917 zaaiden vooral zware artilleriebeschietingen en luchtbombardementen dood en verderf. Het hogere dodental in 1918 kwam grotendeels voor rekening van het eindoffensief. Het ging niet alleen om Belgen. Die vertegenwoordigden in totaliteit ruim 62% van de overledenen, met een piek van 81,5% in 1918 (eindoffensief).  De andere overledenen kwamen uit 13 landen uit 3 continenten. Daaronder waren heel wat Britten, maar ook 9% Duitsers. De brancardiers waagden hun leven niet alleen voor de bondgenoten, maar hielpen ook gewonde vijanden. Met 27 jaar was de gemiddelde leeftijd van de gesneuvelde militairen relatief hoog tegenover de latere oorlogen in de 20ste eeuw.

De belangrijkste doodsoorzaken van de overledenen in L’Océan waren hals- en nekwonden – bijna 20% – en verwondingen van de onderste ledematen. Nu verwondert het misschien dat de kwetsuren aan de onderste ledematen een even grote tol eisten als de kwetsbare hals en nek – met het ruggenmerg, grote bloedvaten en de bovenste luchtwegen. De verwondingen aan de onderbenen waren vooral gevaarlijk vanwege het alom aanwezige infectiegevaar. Allerlei voorzorgsmaatregelen inzake hygiëne hadden effect maar banden het risico op ontstekingen niet helemaal uit. In die tijd was er veel minder kruid was gewassen tegen ontstekingen zoals gangreen of koudvuur. De derde belangrijkste doodsoorzaak lag in kwetsuren aan de bovenbuik – 14,5%. Bijna 35% van de verwondingen waren het gevolg van granaatinslagen. Mannen met kogelwonden overleden dikwijls vooraleer ze het ziekenhuis bereikten. Wie er erg aan toe was, had overigens weinig kans op genezing. Meer dan de helft van de overledenen stierf binnen de 2 dagen na aankomst in het L’Océan.

Dat er tijdens de oorlog snel medische vooruitgang werd geboekt, blijkt uit het lagere sterftecijfer in het pas in september 1917 in gebruik genomen gelijknamige hospitaal in Vinkem. Daar was het sterftecijfer verminderd tot slechts 3,6%. Aan L’Océan in Vinkem herinneren nu nog een gedenksteen van de provincie West-Vlaanderen, alsook het heldenhuldezerkje van Joe English, die in het hospitaal overleed aan een blindedarmontsteking. Tot slot: in het verleden is er heel wat te doen geweest over de taalverhoudingen onder de gesneuvelde militairen. Daarvoor gaan we binnenkort te rade bij dr. Luc Vandeweyer. Wordt dus vervolgd.

Guy Leemans

Wie er meer over wil weten, verwijzen we graag naar de recente publicatie van dr. Luc Vandeweyer en Luc De Munck, Het hospitaal van de koningin. Rode Kruis, L’Océan en De Panne 1914-1918. De Panne, 2012. Het boek biedt meer dan de titel doet vermoeden, omdat het zich niet beperkt tot de geschiedenis van L’Océan, maar ook de brede context behandelt. Te verkrijgen bij de Dienst Cultuur van De Panne, www.DePanne.be aan €24,50. Tot 14 april kan u in het Cultuurhuis De Scharbiellie (De Panne, Kasteelstraat 34) nog de bijhorende tentoonstelling gaan bezoeken – dagelijks van 14.00 tot 18.00u, gesloten op maan- en feestdagen.