Het Belgisch krijgsgerecht tijdens WOI

Zelfverminking en oorlogsmoeheid werden zwaar bestraft

Eén van de middelen om aan de verschrikkingen van de loopgraven te ontsnappen was zelfverminking. In een vrij recente studie (2009) betreffende de werking van het Belgisch Krijgsgerecht tijdens de Eerste Wereldoorlog krijgt dit een apart hoofdstuk. Onderzoeker Stanislas Horvat stelt vast dat dergelijke daden vaak samengaan met insubordinatie om een opdracht niet te moeten uitvoeren. In een aantal gevallen waren het zelfs mislukte zelfmoordpogingen.

Pas vanaf 1915 werd zelfverminking aan het front afzonderlijk strafbaar. Voordien zat de oorlogsleiding vooral verveeld met dergelijke vlucht uit de waanzin van de oorlog. Aanvankelijk werd er soms ook geen onderscheid gemaakt met desertie en eindigden zij voor het vuurpeleton van hun eigen eenheid. Uit andere bronnen weten we dat de roemrijke Koning Albert in het begin van de oorlog onverbiddelijk was voor deserteurs om navolging in te dijken en voorbeelden te stellen. Later moest hij dat bijstellen en werden genadeverzoeken vaker ingewilligd. Het aantal terechtstellingen was onrustwekkend hoog geworden, wat eveneens tot ongenoegen leidde bij het toch al niet zo  strijdlustig Belgisch leger.

“Ik wacht op de kogel die me drie maanden in bed houdt. Bijna alle soldaten delen mijn wens…”, lezen we ergens in de studie van Horvat. Velen schoten in eigen hand of voet om niet te moeten deelnemen aan erg riskante acties. Soms gebeurde dat middenin een gevecht met de vijand en dit werd als een hoge vorm van ‘lafheid’ beschouwd.De soldatendagboeken van zowel Belgische, geallieerde als Duitse soldaten liegen er niet om: overal is er melding van ellende, wanhoop, oorlogsmoeheid en afkeer van de wreedheden van deze oorlog.

Het Belgisch leger had niet zo’n beste faam bij de Britse en Franse bevelhebbers. De wreedaardige Douglas Haig, die overigens nooit zelf een voet aan het front heeft gezet, had zelfs een bijzonder lage dunk over onze ‘moedige soldaten en hun officieren’. Over stafchef Rucquoy zegde hij: “militair onbekwaam en bang voor de Duitsers.” Haig was o.a. verantwoordelijk voor de massale slachting in oktober 1917 die tienduizenden doden aan beide kanten eiste. Tegen de adviezen in van zijn generaals gebood hij toch een doorbraak te forceren tijdens de Slag bij Passendale. Die hel van modder en dood blijft voor altijd een gruwelijk merkteken op de beslissing van één man.

Terwijl in totaal miljoenen soldaten van het British Empire uit alle werelddelen sneuvelden op Noord-Franse en Belgische bodem, werd soms smalend aangehaald dat ‘slechts’ 20.000 Belgen (lees: vooral Vlamingen) de dood vonden in deze vreselijke oorlog. Bovendien komt daar nog het activisme bij dat geassocieerd wordt met ‘meeheulen’ met de vijand en een strijd binnen de oorlog tegen de Belgische en anti-Vlaams overheid. Het Belgisch Krijgsgerecht had dus wel wat werk aan de winkel. Onze ‘Dapperen aan den IJzer’ waren niet allemaal helden.

Stanislas Horvat ziet in zijn studie ‘De Vervolging van Militaire Delicten tijdens Wereldoorlog I’ ook een evolutie, met dramatische hoogtepunten tijdens de winter 1916-1917. De meeste Belgische soldaten sneuvelden aan het begin en het einde van de oorlog. De winter van 1914-15 was erg koud en was nog gekenmerkt door een ‘Bewegingsoorlog’. Toen al was er voedseltekort, de gemobiliseerden beschikten enkel over versleten uniformen en velen droegen nog burgerkleding met vellen van schapen en koeien om zich tegen de kou te beschermen. Soldaten op klompen was geen zeldzaamheid.
De winter van 1917 was een van de koudste ooit en vanaf eind 1916 was de oorlogsmoeheid al duidelijk voelbaar. Er werden muiterijen vastgesteld – al waren deze maar een fractie van wat de Fransen meemaakten rond Verdun – en het pessimisme groeide alom. De Franse krijgshoven waren overigens meestal ongenadig  en vaak onredelijker dan de Belgische. De bevelhebber van de 44ste Infanteriedivisie gaf reeds op 7 september 1914 order om deserteurs zonder verdere formaliteiten en voor de kameraden van hun eenheid te fusilleren.

De zaak van ‘Le pantalon rouge’ zorgde echter voor afschuw de wereld rond. Omdat hij weigerde de broek van een dode soldaat aan te trekken werd een Frans soldaat ter dood veroordeeld én gefusilleerd. In 1922 werd de ongelukkige postuum vrijgesproken.  In die periode werden er bij de Belgische eenheden 4.000 deserteurs genoteerd. Ook het aantal ‘overlopers’ naar de vijand groeide aan. De krijgsraden ‘Te Velde’ kenden een piek in 1917.
Tussen 1914 en 1919 werden er 37.557 veroordelingen uitgesproken. Misdrijven als desertie en insubordinatie scoorden hoog. Daarbij waren er uitzonderlijk veel doodstraffen voor misdrijven aan het front: 220, maar uiteindelijk werden er slechts 11 uitgevoerd.

Zelfverminking

Het is ons echter niet duidelijk of de executies tijdens de ‘Bewegingsoorlog’ in deze cijfers werden opgenomen. Het lage getal zelfverminkingen: 47, doet ons ook vermoeden dat er hier iets niet klopt.

Zoals aangehaald werden in de statistieken slechts vanaf 1916 de zelfverminkingen apart vermeld. Officieel waren er geen in 1914 en 1915. Het jaar nadien amper 13, in 1917 slechts 19 en in 1918 werden er 15 genoteerd. Het Krijgshof bracht voor 22 dossiers de vrijspraak, 5 verzoeken in beroep onontvankelijk en 19 veroordelingen.  Deze cijfers zijn absoluut ongeloofwaardig. Alleen in onze kennissenkring kennen wij verschillende getuigenissen waar zelfverminking bij familieleden-oudstrijders werden toegegeven. De vader van een getuige werd naar het eiland Cézembre nabij St Malo gestuurd als gedetineerde nadat hij zichzelf aan de hand had verwond.

Zelfverminking werd aanzien als een ‘laffe daad’ om te ontsnappen aan de ‘soldatenplicht’. Zo wordt het in deze context verwoord.  Niet alleen zichzelf in de arm of hand of been schieten, ook het drinken van bijtende producten als ammoniak, een prikkelende stof in de ogen gieten of het opzettelijk veroorzaken van maaglast kwamen voor het krijgsgerecht. Ook het weigeren van een medische ingreep, betekende zich onbeschikbaar houden of maken voor de dienst. Officieel stonden hierop gevangenisstraffen van 3 tot 5 jaar. De studie van Horvat vermeldt 1 jaar gevangenis als standaard strafmaat. Voor enkele gevallen werd er 5 jaar uitgesproken. Voor officieren gold een bijzondere aanklacht en betekende het afzetting. Voor insubordinatie in tegenwoordigheid van de vijand kon een officier tot 10 tot 15 jaar hechtenis en militaire degradatie, lees: wegzending uit het leger, veroordeeld worden.

Bij vermoedens van zelfverminking werd een onderzoek opgestart dat vaak maanden kon duren. Er kwam een grondig medisch onderzoek en meestal werd ook gezocht naar de voorgeschiedenis van de betrokkene. Of er eerder zelfmoordneigingen werden vastgesteld, de psychische achtergrond bij de mobilisatie, en de omstandigheden op dat moment aan het front, waren belangrijk.

De militaire oversten deden er alles aan om dergelijke gestraften ook echt als ‘lafaards’ te bestempelen. Meestal werden de gestraften naar boetecompagnies in het onbezette Noord-Frankrijk gestuurd. Het eerder genoemde eiland Cézembre tegenover St. Malo werd hiervoor berucht.

Getuigen noemden de bijna ondraaglijke verveling de grootste straf.

Willem Persoon

Frontaalmoezenier Pater Lambertus

De bij velen nog bekende front-aalmoezenier Paul Vandermeulen (de latere pater Trappist Lambertus (1893 – 1975)) werd veiligheidshalve als brancardier naar Cézembre verbannen. Omwille van zijn activistische sympathieën verbleef hij drie maanden op dit piepkleine eilandje van amper 18 ha.

Hij getuigde destijds in ‘Ten huize van…’ bij Joos Florquin: “Ik ben daar zeer gelukkig geweest. Dat was daar een kamp van kleine gestraften, van incivieken, van Hollanders die ze niet vertrouwden en van personeel dat daar liever zat dan aan het front… Eigenlijk was dat een voorsmaak op het trappistenleven. Het kon op dat eiland echter geweldig waaien met echte storm op zee.”

Bronnen:

HORVAT, S., De Vervolging van Militairrechtelijke Delicten tijdens Wereldoorlog I. De werking van het Belgisch Krijgsgerecht, VUB Press, Brussel, 2009.

FLORQUIN, J., Ten huize van Pater Lambertus Vandermeulen, Nr. 12.

DE BRUYNE, L., Van frontaalmoezenier tot monnik. De Nederlanden, 1993, 338 blz.