Het moslimterrorisme van al-Qaida: moslims doden moslims

Al bij de aanslagen van 11 september 2001 was het duidelijk dat andere moslims niet ontzien worden door het zogenaamde moslimterrorisme van al-Qaida. Tientallen moslims werkten in de torens die geviseerd werden of zaten in de vliegtuigen die werden gebruikt. Bij vele aanslagen in Irak of Afghanistan, kan het ook niet anders dan dat een groot deel van de slachtoffers moslims zijn. Moslims blijken met voorsprong de overgrote meerderheid van de slachtoffers uitmaken, meer dan 8 keer zoveel (!) als niet-moslims.

‘Mag je, in de strijd tegen de ongelovigen, ook mede-moslims doden?’ Het is een vraag die sterk leeft bij militante islamistische groeperingen. Radicale ideologen als Abu Yahya al-Libi hebben al een op de islam gebaseerde visie ontwikkeld rond ‘nevenschade’, die aangeeft wanneer het onvermijdelijk – en dus in orde is – om mede-moslims te doden. Zelfs de Iraakse afdelingen van al-Qaida, die bekend staan om de dodelijkste zelfmoordaanslagen van de laatste jaren, lijken met die vraag rekening te houden. In elk geval vonden ze het in augustus 2009 de moeite waard om na een wel erg bloedige aanslag in Bagdad snel een videoverklaring de wereld in te sturen. Er werd een spoedig herstel toegewenst aan de soennieten die in de ‘operatie’ gewond raakten en de al-Qaida leden drukten hun hoop uit dat de doden door Allah zouden worden onthaald als ware martelaars.

Dergelijke verontschuldigende woorden hebben ongetwijfeld de bedoeling om het terreurnetwerk toe te laten zich te profileren als verdediger van het ware geloof, maar dan als verdedigersdie worstelt met de religieuze consequenties van hun daden. Tegelijkertijd laat zulke verklaring ook uitschijnen dat de gevallen waarbij moslims door moslims gedood worden spijtige maar geïsoleerde incidenten zouden zijn. Niets is echter minder waar. Tussen 2004 en 2008 eiste al-Qaida de verantwoordelijkheid op voor 313 aanslagen, met  3010 doden. Nauwelijks 371 van die doden – slechts 12 procent – waren westerlingen, en in dit cijfer zijn dan niet eens de slachtoffers van de massale, dodelijke bomaanslagen van 2004 in Madrid en 2005 in Londen meegerekend.

Kanttekeningen

Het Combating Terrorism Center (CTC), een Amerikaanse centrum voor terrorismebestrijding verbonden aan de militaire academie van West Point, heeft dit alles zwart op wit becijferd. Maar voor we de resultaten bekijken, moeten enkele kanttekeningen worden gemaakt. Het CTC waarschuwt zelf dat er, omwille van zijn gekozen onderzoeksmethode, heel waarschijnlijk een groot aantal moslimdoden niet werd meegeteld. Om alle potentiële beschuldigingen van partijdigheid de kop in te drukken, hielden de onderzoekers namelijk enkel rekening met de aanslagen die expliciet door al-Qaida werden opgeëist – ook al is het bekend dat ze dat niet elke keer doen. Daarenboven gebruikte het CTC alleen de aanslagen waarover gerapporteerd werd in de Arabische media, en namen ze ook de cijfers over die daar werden gemeld.

Aan de andere kant werden de slachtoffers opgedeeld in de categorieën ‘westers’ en ‘niet-westers’, er van uitgaand dat ‘westers’ gelijk staat aan ‘niet-moslim’ en omgekeerd. Dit is meteen de grootste zwakte van het rapport. Niet alle mensen die in moslimlanden leven zijn ook daadwerkelijk moslim. In Irak alleen al heeft al-Qaida verschillende aanslagen uitgevoerd die gericht waren tegen Koerden, Yazidi of christenen. En bovendien zijn veel van de moslimslachtoffers, vaak overigens zo bedoeld, sjiieten. Een streng soennitische groep als al-Qaida beschouwt hen namelijk als ongelovige afvalligen. Het probleem is dat de nieuwsberichten vaak wel de nationaliteit van de doden vernoemen, maar niet hun religie.

Statistiek

Het CTC was zich bewust van dit probleem en gebruikte statistische bewerkingen om tot een duidelijk beeld te komen. Wanneer aanslagen in Irak en Afghanistan uit de tabellen worden geweerd, stijgt het aandeel van westerse slachtoffers tot een veel indrukwekkender 39 procent. Maar als daar dan weer de doden van de massa-aanslagen in Madrid en Londen worden uitgehaald, daalt het aandeel westerlingen weer tot 13 procent. Het Pareto-principe, gemeenzaam ook bekend als de 80-20 regel, geldt dus ook voor al-Qaida. Deze regel stelt dat onder meer in economie en wetenschap een overgrote meerderheid van de acties erg weinig of geen resultaat heeft, terwijl slechts enkele acties verantwoordelijk zijn voor de grootste opbrengsten. Deze regel gaat ook op bij oorlogen en terrorisme en, in het geval van al-Qaida, voor het grootste aantal doden.

Nog belangrijker is misschien de vaststelling dat, wanneer bijvoorbeeld enkel het jaar 2007 wordt bekeken en de aanslagen in Irak en Afghanistan worden genegeerd, het aantal niet-westerse al-Qaida slachtoffers een overweldigende 99 procent bedraagt. Voor het jaar 2008 komt dat uit op 96 procent. Tussen 2006 en 2008 waren slechts 9 van in totaal 352 slachtoffers westerlingen -minder dan 3 procent. Met andere woorden, in deze periode hadden niet-westerlingen buiten Irak en Afghanistan 38 keer meer kans om gedood te worden in een aanslag van al-Qaida dan westerlingen. De onderzoekers leiden daar uit af dat al-Qaida eigenlijk maar erg beperkte mogelijkheden heeft om daadwerkelijk westerlingen te treffen. In plaats daarvan heeft de terreurgroep zijn slagkracht behouden door zijn activiteiten vooral te ontplooien in landen waar een moslimmeerderheid is en waar hun netwerk dan ook beter is uitgebouwd.

Menselijk schild

Al-Qaida wijst elke verantwoordelijkheid voor moslimdoden af door hen steevast ofwel als martelaren ofwel als  afvalligen te bestempelen. Het begrip ‘afvallige’ wordt hierbij ruim geïnterpreteerd. Volgens de terreurgroep is elke moslim die steun geeft aan een westers land of aan een regime dat door de groep niet wordt goedgekeurd een afvallige, dus een gerechtvaardigd doelwit. Hieronder vallen moslims in een vijandelijk leger, moslims in de politiemacht van een ‘slecht’ regime, en ook moslims met een doodgewone baan. Zolang kan worden geargumenteerd dat de anderen geen echte voorvechters van het ware geloof zijn, is dit een excuus voor nietsontziend geweld.

Om de dood van onschuldige moslims – de martelaren – te kunnen rechtvaardigen, beroept al-Qaida zich op een eeuwenoude en obscure shari’a regel, de al-tatarrus. Oorspronkelijk refereerde deze wet naar het gebruik van moslims als levende schilden. In principe mogen moslims immers nooit andere moslims doden. Doorheen de geschiedenis hebben vijandelijke legers dit verbod vaak in hun eigen voordeel gebruikt, door in de voorste gelederen van hun legers moslims op te stellen. Islamitische militairen zagen echter al snel het strategische gevaar van de al-tatarrus regel in en hadden een manier nodig om dat verbod te omzeilen. Maar het idee dat het in orde is om onschuldigen koelbloedig te vermoorden, was in niet-terroristische moslimkringen al tientallen jaren dood en begraven. Al-Qaida blies het nieuw leven in op basis van een boek van de al eerder vernoemde Abu Yahya al-Libi, Al-tatarrus in de moderne Jihad. De onschuldigen worden hierbij bekeken als in essentie menselijke schilden, die, als ze echt onschuldig zijn, martelaars worden.

Al-Qaida geeft in trainingsvideo’s en mediaberichten dan wel te kennen dat ze haar leden geduld en voorzichtigheid aanraden, maar de cijfers spreken dit duidelijk tegen. Als het klopt dat je om de toekomst te kennen eerst naar het verleden moet kijken, dan zullen al-Qaida en aanverwante groepen nog erg lang een van de grootste bedreigingen vormen voor moslims waar ook ter wereld.

Kim Dillen