IJzerbedevaart mist vertolker van emoties

Anton van Wilderode zit in het hart van het volk

De wereld die wij willen draagt geen wapens,
verdeelt zich niet in toegeruste legers
met het verbitterde bliksemen van leuzen.

De wereld die willen is een vrede
die zonder wrevel over het verleden
het doek haalt van vergeten en vergeven.

Met deze beginstrofen van het gedicht ‘De wereld die wij willen’ wordt meteen het karakter en de visie van de auteur kenbaar gemaakt. Pacifisme, rechtvaardigheid en een streven naar leefbaarheid en verzoening, zijn de onbetwistbare kenmerken van de geëngageerde dichter Anton van Wilderode. Is het dat wat de IJzerbedevaarten de jongste jaren te kort komen? Een volk heeft een vertolker en verwoorder van zijn emoties nodig.

In datzelfde gedicht uit hij ook zijn wens naar een ‘onbeschadigd landschap…’, naar ‘gezondheid van gras en brood…’. Kan het nog actueler? Van Wilderode zou dus net zo goed door de ‘Groene Beweging’ kunnen geclaimd worden. Maar dan gaat hij verder:

De wereld die wij willen is Vlaanderen
Verlost van velerlei onvrijheid en bevoogding
Een vaderhuis voor zijn verstrooide kinderen.

En hij gaat nog verder:

‘… De wereld die wij willen is Europa…’

Dit gedicht werd geschreven en werd gelezen naar aanleiding van de IJzerbedevaart van 1972. Dit was lang voor zijn literaire faam pas goed losbarstte en Van Wilderode verladen werd met alle mogelijke prijzen en onderscheidingen. Die erkenning kwam er niet omwille van dergelijke bovenstaande verzen, hoe pacifistisch, groen en Europees gericht ze ook mogen klinken.

Anton van Wilderode werd geen eredoctor aan de Leuvense Universiteit omwille van zijn strijdbare teksten, zelfs niet voor zijn toch wel hooggewaardeerde poëzie van het verlies. Wel werd verwezen naar zijn jarenlange taak als leraar en vooral als vertaler van de volledige Vergilius. Hij was de eerste na Vondel die dit reuzenwerk kon voltooien. Nadien werd dit meermaals als basis genomen door navolgers in Vlaanderen en Nederland, het liefst zonder bronvermelding. Zo gaat dat in dat harde wereldje van de zachtzinnige dichtkunst.

Enkel en alleen omdat Anton van Wilderode trouw is gebleven aan zijn Vlaamse inborst, en dat ook een reden was waarom hij bereid bleef zijn pen te lenen voor de herdenkingen rond de IJzertoren, bleef Nederland hem afwijzen. Ze hebben daar nooit een fatsoenlijke uitleg voor kunnen geven. Hij werd gewoon in een kamp geplaatst dat zij ‘fout’ noemden. Zou er wel iemand van die zogenaamde politiek correcten ooit die teksten hebben gelezen? Wij geloven het niet.

Wie waren die heren en dames dan wel? Meestal nooit meer van gehoord. Het gebeurde immers in een periode toen Intellectueel Links ijverig aan de slag was om zelf aan de bak te komen of te blijven, toen er prijzen te verdelen waren. Het feit dat Van Wilderode met zowat alles aan de haal ging wat er tijdens de jaren zeventig en tachtig te verdienen was, is daaraan allicht niet vreemd geweest. Jaloezie is een venijnig beest en in de kunstwereld heeft dat vaak lange en giftige tentakels.

In eigen land tellen we voor de vuist weg méér dan 30 onderscheidingen en belangrijke prijzen. De belangrijkste daarvan zijn, behalve zijn ere-doctoraat aan de KUL in 1975, de Internationale Koopalprijs voor de volledige vertaling van Vergilius in datzelfde jaar, de Vondelpijs van de Universiteit van Münster en de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie voor de bundel Dorp zonder Ouders (beide in 1980). Samen met Monika van Paemel kreeg hij er ook nog de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies in 1986 bovenop. En voor wie het niet wist: in 1982 werd hij Grootofficier in de Kroonorde. We hebben nooit gehoord dat hij deze zou hebben geweigerd.

DUALITEIT

Er zit dus wel een dualiteit bij het fenomeen Van Wilderode. We stelden dat al vast bij het verschijnen van zijn eerste Verzamelde Gedichten in 1974. Hierin was een reeks zgn. IJzerbedevaartgedichten opgenomen. Enerzijds zien we dan al vanaf 1953 de Ballade van de Zes Ridders met de waanzin van de Eerste Wereldoorlog, de zinloze Vlaamse doden zoals Renaat De Rudder, de gebroeders Van Raemdonck, Joe English en zovele anderen. De pacifistische dichter eindigt daar met het mooie beeld van de moeders en ‘… de lege schoot weer gevuld met verdriet’.

In 1965 echter duikt een meer geëngageerde toon op met De dag begint. Dit gaat over grafschennis en de vernieling van de eerste toren. Een misdaad die in dit land niet bestraft werd. In deze selectie van meer dan 50 bladzijden blijft echter de strijdbare Vlaming grotendeels achterwege. Het zijn stuk voor stuk vredesgedichten die ieder rechtgeaard mens volmondig kan onderschrijven. Vrouwen voor de Vrede zou zelfs een klassieker in de wereldliteratuur geworden zijn indien dit door Marquez of Pablo Neruda was geschreven.

De echte strijdbare Vlaams-nationale taal werd hier nog geweerd. We vinden die wel terug in een uitgave van het IJzerbedevaartcomité uit 1985 De dag begint bij een puin.
Paul Daels schreef hiervoor het voorwoord. Hij noemde de IJzerbedevaart een ‘totaalbelevenis, waarin het verstand en de wil, maar ook het hart en het gevoelen moeten worden aangesproken’. En verder: ‘En de bindteksten van Anton van Wilderode hebben hiervoor onmeetbaar veel gedaan, hebben aan onze jaarlijkse bijeenkomsten aantrekkingskracht, ontroering, bezieling en politieke stootkracht geschonken.’ Hierin zit uiteraard een meer genuanceerde keuze van teksten, maar vooral met meer nadruk op de politieke inhoud. Het zal ook gaan over Eén Volk, Eén Staat, fouten die nooit vergeven en vergeten worden, het uitblijven van amnestie. Vlaamse macht, Vlaams welzijn: geen aalmoes af en toe, geen mondjesmaat / die ons al anderhalve eeuw beledigt… (IJzerbedevaart 1982)

Paul Daels merkte in zijn inleiding op dat de dichtkunst en de dichters steeds een zeer belangrijke rol hebben gespeeld in de Vlaamse Beweging. ‘Dat heeft allicht te maken met zowel de diep menselijke drijfveren van de Vlaamse beweging als met de dichters zelf: hun zorg om onze cultuur, hun gevoelsbewogenheid en hun edelmoedigheid.’ Hij noemt daarbij Jan-Frans Willems, Julius De Geyter, Julius Vuylsteke, Emiel Moyson, Emmanuel Hiel, Wies Moens en uiteraard Guido Gezelle die harde strijdgedichten heeft geschreven. U merkt: een bont allegaartje met diverse politiekgekleurde veren. Nadien waren er René de Clercq, Willem Gijsels en Jozef Simons op wie de Vlaamse beweging als op bestelling een beroep kon doen.

Anton van Wilderode was hun uitzonderlijke opvolger, maar nog zoveel meer. De Prijs der Nederlandse Letteren, noch de P.C. Hooftprijs werden hem gegund, hoewel hij best wel in dat rijtje had gepast. Hij zou die niet geweigerd hebben, zeker niet omwille van het ‘schamel bedrag’ dat sommigen in de kijker hebben gebracht. Hij zou zich echter zeker niet thuis hebben gevoeld in het midden van commerciële Gouden Uilen en AKO’s.

Eén zaak staat vast: Anton van Wilderode leeft nog in het hart van zijn volk. Dat bewijst de jaarlijkse herdenking met o.m. een samenzijn rond het graf van de dichter in zijn geboortedorp Moerbeke-Waas, dit jaar op 28 juni, 13 jaar na zijn overlijden. Dat bewijst de werking van de Internationale Vriendenkring Anton van Wilderode die al jarenlang, en met succes, ijvert voor wereldwijde vertalingen van zijn werk. Dat bewijst vooral ook de weerklank van de jaarlijkse Anton van Wilderode Poëziewedstrijd voor de Jeugd, dit jaar reeds de 14de editie. Méér dan 600 inzendingen uit Vlaanderen en Nederland zijn een levend standbeeld voor een dichter die niet vergeten kan worden.

Willem Persoon