Interview Karel Gacoms

In de Vlaamse artistieke en journalistieke milieus overheerst een haast doctrinaire apathie voor confederalisme, laat staan separatisme. De top van de grote sociale organisaties zoals vakbonden en mutualiteiten deelt die afkeer. Een debat ten gronde wordt te pas en te onpas vooruitgeschoven. Voor een fris geluid in syndicale kringen gingen we langs bij Karel Gacoms, provinciaal secretaris van ABVV-metaal Vlaams-Brabant.

Enkele jaren geleden trad u toe tot de Gravensteengroep. Waarom?

Ik was positief verrast door het eerste manifest. Dit sterk onderbouwde en progressieve pleidooi voor meer Vlaanderen was een schot in de roos. Het was ook voor mij een verademing dat er in Vlaanderen nog progressieve krachten bestaan die wars zijn van de hardnekkige communautaire taboes in het linkse kamp zonder dat ze inboeten op hun progressieve idealen. Meer Vlaanderen is inpasbaar in een breder emancipatorisch verhaal om zoveel mogelijk mensen te laten delen in onze welvaart en ons welzijn. Dat mensen als Ludo Abicht, Jef Turf en Etienne Vermeersch mee aan de kar trokken wekte vertrouwen.

Aan welke taboes denkt u?

Dé klassieke dooddoener is de mythe dat het einde van België het einde van elke solidariteit zou inluiden. Die vlieger gaat enkel op als een Vlaamse meerderheid zich daartoe zou lenen. Ik ben er van overtuigd dat de meeste Vlamingen daar niét toe neigen. Maar het schoentje wringt niet alleen daarom. De doorsnee Vlaming is niet alleen solidair, hij is dat op allerlei fronten en niet alleen op het Belgische niveau. Je moet het enkel willen zien. Wie meent dat solidariteit enkel binnen een Belgisch kader kan worden gewaarborgd, getuigt van een schrijnend gebrek aan realiteitszin en van een diep en ongegrond wantrouwen in het sociale engagement van Jan met de pet.

Die nadrukkelijke koppeling van solidariteit aan België wordt mee in stand gehouden door de vakbonden. In 2007 voerden ze daarvoor zelfs een heuse mediacampagne onder de slogan ‘Red de solidariteit’. Wat vond u daarvan?

Die campagne is over de hoofden heen opgestart. Het initiatief ging uit van Hendrik Vermeersch (BBTK/ABVV Brussel-Halle-Vilvoorde) en Guy Tordeur (ACV Verbond Brussel). Zij hebben de vakbondstop overgehaald om het initiatief te ondersteunen. De actie kwam ongemeen sterk in beeld omdat naar buiten uit werd gewerkt met een dure, mediagenieke mediacampagne met allerlei toeters en bellen. Bovendien ondersteunden heel wat BV’s ze blindelings. Wat niemand te horen kreeg, is dat de syndicale basis over dit initiatief niet eens werd geconsulteerd.

Kreeg dat geen staartje?

Dat heeft intern kwaad bloed gezet. De vakbondstop had zich laten inpakken door een paar elementen met unitaire trekjes. Het is niet toevallig dat de actie in 2008 de prijs voor de democratie kreeg uit handen van Eric Goeman, voorzitter van Attac Vlaanderen. Tekenend is ook dat toen Hendrik Vermeersch om dringende redenen werd ontslagen door de Bond van Bedienden, Technici en Kaderleden (BBTK) van het ABVV hij aan de slag ging bij de Marxistische PVDA.

Jij was ook niet te spreken over die campagne?

Voor mij was ‘Red de solidariteit’ meer dan een brug te ver. Ik heb de bijhorende petitie dan ook niet ondertekend. De opzet zat fout, omdat de initiatiefnemers zich nadrukkelijk communautair profileerden. Spijtig genoeg is de vakbondstop hen daarin gevolgd. Maar vakbonden moeten zich niet mengen in strikt communautaire aangelegenheden. Daarin schuilt hun opdracht niet. Zo denken heel wat vakbondsmensen er over. Vakbonden moeten de werknemersbelangen behartigen. Die klus is al zwaar genoeg. Dag in dag uit moeten wij er staan om de welvaart en het welzijn van onze leden en te verdedigen.

De rest is bijzaak?

Inderdaad. Zelf was ik het meest in mijn wiek geschoten door de zin ‘We willen solidariteit en geen splitsing’. Wat met ‘geen splitsing’ werd bedoeld, was niet duidelijk. Omdat het zo cryptisch was gesteld, kon het ook worden geïnterpreteerd als een pleidooi tegen de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde. En daar was ik uitgesproken voor. Omdat ik als Vlaams-Brabander weet dat enkel de splitsing van B-H-V het pad kan effenen naar een communautaire pacificatie in deze streek en zo onrechtstreeks ook meer ruimte wordt geschapen voor waar het mij in de eerste plaats om gaat: de vrijwaring van de werknemersbelangen.

Hoe pakt u dat aan?

Ik voel mij geen Marxist. Dat neemt niet weg dat ik erken dat Marx in zijn Communistisch Manifest zinnige dingen heeft geschreven. De communautaire spanningen en evolutie in België zijn voor mij weliswaar relevant, maar voor mij is de zorg voor werknemers waar ook ter wereld dwingender. In die zin blijven Marx’ stellingen ‘Arbeiders hebben geen vaderland’ en ‘Proletariërs aller landen, verenigt u’ actueel. Ik ben meer solidair met de arme textielarbeidster in Bangladesh dan met de rijke ondernemer in Vlaanderen.

Bent u een linkse flamingant?

Zo zou ik mij niet typeren. Ik ben geen klassieke flamingant. Ik ben een Vlaming en ik voel mij ook Vlaming omdat ik in Vlaanderen woon en werk, Nederlands praat en vooral de Vlaamse media volg. Maar dat laag Vlaams profiel maakt mij nog niet tot een Belgofiel. Met België voel ik niet meer affectie dan met Vlaanderen, om de eenvoudige reden dat mijn leven zich voornamelijk in een Vlaamse context afspeelt.

Links en toch wel eerder Vlaams. Is dat niet vloeken in de kerk?

Dat past niet zo goed in de gangbare perceptie. Vlaams wordt snel gelijkgeschakeld met rechts. Dat heeft te maken met de verkiezingssuccessen van het Vlaams Belang in het verleden en de actuele electorale kracht van de N-VA. Maar dat moet je nuanceren. Met haar belofte van veranderingen en haar Vlaamse agenda bijvoorbeeld spreekt de N-VA kiezers van allerlei strekkingen aan. Progressief Vlaanderen zou er goed aan doen om de schuld niet alleen bij anderen te leggen maar de hand ook in eigen boezem te steken. Als je bijvoorbeeld niet inspeelt op het wijd verspreide Vlaamse ongenoegen, moet je er niet verwonderd over zijn dat kiezers afhaken. De progressieve partijen hebben gerechtvaardigde Vlaamse eisen links laten liggen en daardoor in eigen voet geschoten.

Het kan anders?

Zeker, ook in de vakbeweging. De Luikse socialistische vakbondsleider André Renard bewees dat met verve. Renard was tot aan zijn dood in 1962 een taaie verdediger van de arbeidersbelangen, maar hij begreep dat andere tijden andere strategieën vergen. Hij was er zich goed van bewust dat het economische zwaartepunt in de jaren 1950 in snel tempo verschoof naar Vlaanderen en dat de oude Waalse industrie gebaat zou zijn met een eigen Waals beleid. Daarom was hij een overtuigde federalist. Maar ook in Vlaanderen bestaat de tendens voor acties en een beleid op eigen maat. Het bekendste voorbeeld is allicht dat onze Metaalcentrale, opgericht in 1886, in 2006 volgens een regionale logica werd gesplitst in 2 organisaties.

Was er een concrete aanleiding voor die splitsing?

Vlamingen en Walen waren het grondig oneens over de aanpak van het pensioenprobleem. Die zorg wordt met de vergrijzing almaar nijpender, zeker omdat de Belgische wettelijke pensioenen – de zogenaamde 1ste pensioenpijler – tot de laagste in Europa behoren. Veel gepensioneerden moeten rondkomen met maandelijkse bedragen van €1.000 of zelfs minder. Die bedragen volstaan niet om de behoeften te dekken van hedendaagse 65-plussers. In vrijwel alle sectoren werd daarom stilaan werk gemaakt van de uitbouw van een 2de pensioenpijler.

Maar niet tot vreugde van iedereen?

De Vlamingen in onze metaalvakbond ondersteunden de piste van de 2de pijler voluit, de Walen waren vierkant tegen. Zij wezen de 2de pijler af en bleven erbij dat de vakbonden enkel mochten inzetten op de 1ste pensioenpijler. Zij vreesden dat de uitbouw van een 2de pijler zou leiden tot een verarming van Wallonië, gezien werklozen en zieken hiervan niet kunnen genieten. Zo kwam het in 2006 tot een breuk. Formeel is de metaalcentrale van het ABVV niet gesplitst – met die realiteit kon de vakbondstop niet leven – maar in de praktijk is dat wel degelijk het geval.

Verschilt de Waalse vakbondswerking dan fundamenteel van de Vlaamse?

In beginsel is er geen wezenlijk verschil. Maar de context waarin wordt gewerkt is anders en dat leidt tot een andere aanpak. In Wallonië heerst een andere traditie, verbonden aan de vereisten van de zware industrie, die de laatste decennia zware klappen moest incasseren. Dat valt de Walen zwaar. En dat is te begrijpen. Te vaak wordt vergeten dat Wallonië in de 19de eeuw mee de motor van het kapitalistisch systeem liet draaien. Door de aanwezigheid van de zware industrie, geconcentreerd in grote ondernemingen, vormde zich in Wallonië een strijdbare arbeidersbeweging. In Vlaanderen vond je toen nauwelijks zware nijverheid en waren de bedrijven gemiddeld veel kleiner, wat de mobilisatie bemoeilijkte.

Nu staan de vakbonden in beide landsdelen onder druk?

De globalisering en de de-lokalisatie van bedrijven stellen de vakbonden voor grote uitdagingen. Vroeger was het makkelijker werken, omdat de tegenpartij – de werkgever – zich in de fysieke nabijheid bevond. Hij was dus rechtstreeks aanspreekbaar. Nu bevinden de hoofdkwartieren van bedrijven zich vaak op duizenden kilometers afstand. Soms is het zelfs niet meer duidelijk waar het beslissingsorgaan zich situeert. Ook zijn er krachten die vinden dat de vakbonden – net als de mutualiteiten – als uitbetalingsinstellingen moeten worden aangepakt. Maar het is lang niet zeker dat dit zou leiden tot een efficiëntere aanpak.

Wat als de staatshervorming zich ook in sociale materies sterk zou doorzetten?

Ik ben daar redelijk gerust. Zoals ik al zei: de solidariteitszin van de Vlamingen wordt al te dikwijls onderschat. Om het te kunnen zijn, moet je natuurlijk over de middelen beschikken. Van wie zelf de eindjes niet aan elkaar kan knopen, kan je moeilijk solidariteit verwachten. Wie daartegen wel in de mogelijkheid verkeert, heeft er alle belang bij om wat van zijn welvaart te delen, omdat herverdeling de economie aantrekt. Maar wie deelt, wil begrijpelijkerwijze dat zijn inbreng goed besteed wordt. Alleen dan behoud je een voldoende draagvlak voor de solidariteit. Ook dat debat is communautair geladen. Omdat in Vlaanderen vragen worden gesteld bij meeruitgaven in de Waalse gezondheidszorg en bij de besteding van de transfers van noord naar zuid. Dergelijke vragen mogen niet worden ontweken en afgewenteld door met grote principes te zwaaien, maar moeten ernstig worden genomen.

Interview: Guy Leemans