Interview met prof.em.dr. Ludo Simons

Het Nederlands staat onder druk. In juni gaf het Vlaams Parlement groen licht voor meer Engelstalige colleges in het hoger onderwijs. Onlangs namen enkele Antwerpse taalkundigen het Standaardnederlands op de korrel. Tijd voor een reactie.

Onlangs pleitten enkele Antwerpse taalkundigen in een boek voor de erkenning van het Verkavelingsvlaams in klasverband. Waarom?

Hun vertrekpunt is dat het Verkavelingsvlaams, een taalvariant tussen de dialecten en het Standaardnederlands in, in het onderwijs een vaste stek heeft verworven. Leerkrachten bedienen zich in klassituaties dikwijls van deze tussentaal, luidt het. De jonge Antwerpse taalkundigen zien daar geen graten in, omdat het Standaardnederlands zou leiden tot uitsluiting en ongelijkheid. Wie thuis geen Standaardnederlands praat, zou hiervan nadeel ondervinden op school en in het beroepsleven. Het gebruik van de tussentaal zou dat tegengaan. Daarom bekritiseren ze de taalnota van Vlaams minister van Onderwijs Pascal Smet (sp.a), die vasthoudt aan het Standaardnederlands als norm voor het onderwijs. Maar ze gaan te snel door de bocht. Als je feitelijk gedrag tot norm verheft, is het hek van de dam. Zo komt elke regelgeving op drijfzand te staan en rest er slechts Babylonische spraakverwarring. Gelukkig heeft de minister te kennen gegeven dat hij zijn kar niet zal keren.

Snijdt de bewering dat het gebruik van de standaardtaal ongelijkheid in de hand werkt, dan geen hout?

Helemaal niet. Wie het Standaardnederlands beheerst heeft juist een streepje voor. Voor de jeugd biedt de school een uitgelezen omgeving om zich de standaardtaal eigen te maken. Dat geldt des te meer voor leerlingen van anderstalige herkomst. Die kampen vanzelf al met integratieproblemen. De standaardtaal biedt houvast, als platform voor communicatie en ontmoeting over sociale grenzen heen. Ze verbindt ook over de streektalen heen. Het Verkavelingsvlaams schiet daarin te kort. In de meeste Vlaamse TV-series houdt de tussentaal het midden tussen het Standaardnederlands en dialecten uit het middengebied van Vlaanderen. Vooral Limburgers en West-Vlamingen herkennen zich er nauwelijks in. Dat een standaardtaal het voortleven van dialecten en tussentalen zou uitsluiten, is een taai misverstand. Verschillende taalregisters zoals dialecten kunnen zonder problemen naast elkaar bestaan. Er ontstaan trouwens nog altijd nieuwe registers zoals de smstaal. Maar als je als taalgemeenschap wil functioneren en overleven, kan je niet zonder een overkoepelend taalregister en een gedeelde norm.

Waarom is de voeling voor de norm afgenomen?

Mijn generatie moest nog respect afdwingen voor haar taal. Omstreeks 1950 konden zich nog maar weinig Vlamingen behoorlijk in het Standaardnederlands uitdrukken. Dat was koren op de molen van de Franstaligen. De Vlaamse taalvarianten leverden meer dan voldoende munitie om de Vlamingen in het verdomhoekje te houden. De Vlamingen leken haast voorbestemd tot achterlijkheid. En veroordeeld tot een rol van tweede rang op de maatschappelijke ladder. Daartegen kwam de Vlaamse intelligentsia in het geweer. Zij beseften dat de Vlamingen respect moesten verdienen. Het motief was niet elitair, maar integendeel sociaal. Het Standaardnederlands moest breed worden ingeburgerd als geleider voor maatschappelijke vooruitgang. Onze leerkrachten waren zich bewust van die sociale opdracht en spoorden ons aan tot een verzorgd taalgebruik in het Algemeen Nederlands.

Hoe pakten jullie dat aan?

Wij stichtten ABN-kernen, groepen die ijverden voor de verspreiding van het Algemeen Beschaafd Nederlands. In de topperiode, jaren 1950-60, waren we actief in honderden scholen. Een generatie later stond iemand als Geert van Istendael, die de term Verkavelingsvlaams introduceerde, jarenlang vooraan
in de actie. Ook nu is hij nog altijd een gedreven ambassadeur voor het Standaardnederlands. De appel valt niet ver van de boom. Vader August
van Istendael, secretaris-generaal van het Internationaal Christelijk Vakverbond, was naast polyglot ook een vurig pleitbezorger van onberispelijk Nederlands buiten huis- en keukengebruik. Dankzij de ABN-kernen won het Algemeen Nederlands terrein en werden meerdere generaties ondergedompeld in een keurig taalbad.

Is voor iedereen wel duidelijk wat er precies met ‘Nederlands’, laat staan ‘Standaardnederlands’ wordt bedoeld?

Het Nederlands dekt meerdere ladingen, in elk geval meer dan wij ons in onze ABN-kernen-tijd hadden kunnen indenken. ‘Vlaams’ is ook Nederlands. Nederlanders kijken ons verwonderd en niet begrijpend aan als wij de ons zo vertrouwde uitdrukking ‘op een boogscheut’ gebruiken. Zij zouden zich uit de slag trekken met ‘op een steenworp’. ‘Op een boogscheut’ is in Vlaanderen ingeburgerd omdat wij een lange traditie kennen van sportschieten en schuttersgilden. Een Nederlander zou het allicht nog moeilijker hebben met ‘zich uit de slag trekken’. In West-Vlaanderen weten ze daar wel raad mee. Een ‘slag’ is een karspoor. Wie wegzakt in een karspoor en zich eruit weet te bevrijden, trekt zich uit de slag. Maar het is niet omdat ‘uit de slag trekken’ Middelnederlandse wortels heeft, dat het geen goed Nederlands zou zijn.

Maar toch niet alle ‘Vlaams’ is goed Nederlands?

De herinnering aan ‘Arm Vlaanderen’ is vergeten. Nu stoten we voortdurend op uitingen van zelfgenoegzaamheid. Die ‘wat we zelf doen, doen we beter’-mentaliteit leidt ook tot een verwaarlozing van zorg voor taal. In populaire series en spelprogramma’s wordt de kijker elke dag weer het slechte voorbeeld gepresenteerd. Velen die een voorbeeldfunctie zouden kunnen opnemen, bedanken daarvoor. Sommigen beweren dat hun taalgebruik niet moet onderdoen voor dat van bijvoorbeeld Nederlanders. Anderen ambiëren zelfs niet meer, Nederlands te spreken. ‘Vlaams’ volstaat. Die ontwikkeling baart zorgen. Het heeft de Vlaamse beweging bloed, zweet en tranen gekost om wijd en zijd ingang te doen vinden dat er slechts één Nederlands is met maar één grammatica, één woordenboek en één uitspraaknorm.

Maar blijft er dan nog ruimte voor regionale varianten?

De idee van taaleenheid is best verenigbaar met het voorkomen van regionale varianten, zeker wat de woordenschat betreft. Varianten doen geen afbreuk aan de fundamentele eenheid van de taal. Niemand trekt de eenheid van het Frans in twijfel omdat de Zwitsers en de Belgen ‘septante’ en ‘nonante’ zeggen in plaats van ‘soixante-dix’ en ‘quatre-vingt-dix’ en de Zwitsers daarenboven ook nog ‘octante’ voor tachtig. Voorbeelden van die aard vind je bijvoorbeeld ook in het Duits en het Engels. Duitsers zeggen ‘Januar’, Oostenrijkers ‘Jänner’. Niemand zal concluderen dat Amerikanen geen Engels praten omdat ze voor hun rekeningen in eethuizen ‘the check’ vragen, terwijl Britten ‘the bill’ vragen. Maar ruimte voor variatie is wat anders dan de taaleenheid loslaten. Zonder die taaleenheid van ruim 20 miljoen Nederlandssprekenden wordt het een dubbeltje op zijn kant om binnen de Europese Unie, laat staan op wereldvlak, respect te blijven opeisen voor onze taal.

Dan hebben we het nog niet gehad over het Poldernederlands?

In Nederland gaat het vooral met de uitspraak de slechte kant uit. Ik beperk me tot één voorbeeld. Nederlanders laten meer en meer na om de klinkers in bijtonige lettergrepen uit te spreken. Het gaat om de eerste lettergreep in woorden zoals ‘partij’, ‘pastei’, ‘politie’ en ‘positie’. Die woorden worden veelal uitgesproken als ‘ptij’, ‘pstei’, ‘plietsie’ en ‘psietsie’. Dat sterkt de herauten van het Verkavelingsvlaams. Want, zeggen zij, dan spreken wij even goed Nederlands. Tegenover gebrabbel als ‘Hoe heetie fan se foornaam en wat toeti fan se fak?’ stellen zij zelfbewust hun eigen variant: ‘Oe noemtem en wa toetem?’ Dat soort Vlamingen zou het moeilijker hebben als de Nederlanders wat meer zorg zouden besteden aan hun taalgebruik.

Meer nog dan Vlaanderen kiest Nederland voor een doorgedreven verengelsing van zijn hoger onderwijs. Waarom?

Zowel in het Noorden als in het Zuiden gaan universiteitsbestuurders ervan uit dat de verengelsing ertoe zal leiden dat buitenlandse studenten in grote drommen naar hun instellingen zullen komen. De verengelsing op zich biedt echter geen automatische garantie voor kwaliteit en succes. Wie grasduint op het internet vindt voorbeelden bij de vleet van Nederlandse en Vlaamse docenten die tijdens colleges of lezingen omwille van hun gebrekkig Engels door de mand vallen. Kwaliteitsvol onderwijs is daarmee niet gediend. Los daarvan moet je de voeten op de grond houden. Als je de lat hoog legt en je wil je meten met Amerikaanse topuniversiteiten zoals Harvard of Princeton, moet je oog hebben voor het gehele plaatje. Waarom behalen deze instellingen uitmuntende resultaten? Een blik op hun enorme investeringsmogelijkheden spreekt boekdelen.

Van welke orde zijn die dan?

Ik beperk me tot Princeton. Dikwijls wordt deze universiteit terecht als een modeluniversiteit aangeprezen. Minder bekend is dat deze instelling van nauwelijks 7.500 studenten zelfs in volle financiële crisis nog ruim $17 miljard op haar rekening telt. Van een dergelijk astronomisch bedrag kunnen Nederlandse en Vlaamse universiteiten slechts dromen. Om maar te zeggen: Kennis is macht, maar geld ook. Engels is goed, maar geld is beter, en véél geld is het best. Het is dan ook niet verwonderlijk dat instellingen zoals Princeton het kruim van de studenten en onderzoekers aantrekken. Die groepen gaan omwille van de verengelsing niet naar Vlaanderen of Nederland afzakken.

Maar talenkennis blijft toch een troef?

Onze studenten zouden veeltalig moeten zijn. Ze zouden minstens Engels, Frans en Duits moeten beheersen. De overheid zou dat kunnen stimuleren door meer in te zetten op taaltrainingen in binnen- en buitenland, al van in het middelbaar onderwijs, bijvoorbeeld met taalkampen en uitwisselingen. Engels is geen noodzakelijk kwaad, maar een groot goed. Het is de lingua franca bij uitstek, waar je haast overal ter wereld mee terecht kan en niet alleen in academische milieus. Kennis van het Engels is een must. Maar dat geldt niet voor een doorgedreven verengelsing van de instellingen. Toen het Nederlands aan onze universiteiten nog de onbedreigde voertaal was, trokken wereldbefaamde Amerikaanse instellingen ook al de beste onderzoekers uit het Nederlandse taalgebied aan. Denk bijvoorbeeld aan Ingrid Daubechies, een wereldautoriteit in de wiskunde. Geboren in Houthalen, trok zij na haar studies Natuurkunde en Wiskunde aan de Vrije Universiteit Brussel naar Princeton, waar ze baanbrekend onderzoek deed naar beeldcompressie. Blijkbaar ondervond zij daarbij net als vele anderen weinig aanpassingsproblemen. In de geglobaliseerde wereld vinden bollebozen wel hun weg. Daarvoor hoef je het hoger onderwijs beslist niet te verengelsen.

Interview: Guy Leemans