Interview prof. dr. Hendrik Vuye

Geplande staatshervorming diept conflictmodel uit

Je moet geen profeet zijn om te zien dat de zesde staatshervorming niet de laatste zal zijn. Integendeel, de voorziene oplossingen zullen het communautaire conflict aanscherpen. Hierover praatten we met professor staatsrecht Hendrik Vuye.


De regering heeft haar slag thuis gehaald. Artikel 195 van de grondwet is tijdelijk buiten werking gesteld. Waarom bent u daar tegen gekant?

De grondwet is het sluitstuk van onze rechtstaat. Hij regelt onze staatsinrichting en beschermt onze rechten en vrijheden. Daarom wilde de grondwetgever van 1831 lichtzinnige wijzigingen voorkomen en voorzag hij in artikel 195 een zware herzieningsprocedure. Die verloopt in 2 fasen. In de 1ste fase stelt het zetelend parlement bij gewone meerderheid – de helft plus 1 van de stemmen – een verklaring tot herziening op. Die omvat een lijst van voor wijziging vatbare artikels. Na afloop wordt het parlement ontbonden en worden verkiezingen gehouden. Zo wordt de verklaring tot herziening een verkiezingsthema en kan de burger de initiatiefnemers van de verklaring steunen of wraken. Eventuele wijzigingen worden zo democratisch gelegitimeerd. In de 2de fase kan het nieuwe parlement dan de bewuste artikels wijzigen, mits daarvoor een 2/3 meerderheid wordt gevonden. Ook die vereiste van een bijzondere meerderheid moet aanzetten tot weloverwogen keuzes.

Waarom wordt het artikel opgeschort?

In de in 2010 gestemde verklaring tot herziening ontbraken elementen die nodig waren om de afspraken onder de coalitiepartners – aangevuld met Groen en Ecolo – uit te voeren. Om daaraan een mouw te passen, wilden zij artikel 195 tijdelijk buiten werking stellen. Formeel is er geen vuiltje aan de lucht, omdat artikel 195 is opgenomen in de verklaring tot herziening. Toch is deze operatie heikel, omdat je door de tijdelijke buitenwerkingstelling van artikel 195 tot een grondwetsherziening in 1 in plaats van in 2 fasen komt. Zo wordt de kiezer de kans ontnomen om zich uit te spreken over de opportuniteit van de wijziging van de niet in de verklaring opgenomen artikels. Als zodanig ga je in tegen de geest van artikel 195. Bovendien is de opschorting in strijd met het grondwetsartikel 187. Dit artikel bepaalt dat de grondwet noch in zijn geheel noch ten dele kan worden geschorst. Daarom kan je niet buiten de conclusie dat de zorg voor de rechtstaat hier is geweken voor politieke overwegingen. Overigens moest artikel 195 niet wijken voor de geplande bevoegdheidsoverdrachten of de splitsing van B-H-V.

Waarom dan wel?

Artikel 195 staat de hervorming van de Senaat in de weg. Maar zelfs dat is maar van tweede orde, want zo ingrijpend is die hervorming nu ook weer niet. De ware reden voor de schorsing zijn de Franstalige compensaties voor de splitsing van de kieskring B-H-V. De Franstaligen willen dat compensaties zoals de mogelijkheid om in de 6 faciliteitengemeenten uit de Vlaamse rand te kunnen stemmen voor Brusselse lijsten en het uitzonderingsregime ten bate van de burgemeesters van die gemeenten grondwettelijk worden verankerd. Voorheen hebben de  Franstaligen altijd een groot voorbehoud gekoesterd tegen wijzigingen van artikel 195. Omdat het de lat zo hoog legt voor een grondwetsherziening, is het voor hen de gedroomde waarborg voor het voortbestaan van België. Maar nu de opschorting hen goed uitkomt, zien ze dat graag door de vingers.

En langs Vlaamse zijde?

De paars-groene regering Verhofstadt was in 2003 al van plan om het artikel te versoepelen of tijdelijk buiten werking te stellen. Ook nu zien de sp.a, Open VLD en Groen daar geen graten in. Maar de koerswijziging van CD&V is opvallend. CD&V heeft zijn kaarten herschikt. In 2003 sprak toenmalig CD&V senaatsfractieleider Hugo Vandenberghe nog van de ‘constitutionele striptease’ van paars-groen. In 2007 onderstreepte huidig staatsecretaris voor Staatshervorming Servais Verherstraeten nog het belang van artikel 195. Nu stelt Verherstraeten dat ‘de eerste steen van de staatshervorming is gelegd’ met het akkoord omtrent artikel 195.

Hebt u weet van precedenten?

Vanuit democratisch oogpunt was de invoering van het algemeen meervoudig (mannen)stemrecht in 1919 een grote stap voorwaarts, maar de manier waarop was bedenkelijk, want in strijd met artikel 195. De grondwet bepaalde immers dat de verkiezingen moesten gebeuren via het cijnskiesrecht. Die anomalie werd pas bij de grondwetsherziening van 1920-21 rechtgezet. Bij het ontstaan van de Europese instellingen vanaf 1951 trad België toe zonder zijn grondwet aan te passen. Dat gebeurde pas in 1970. In datzelfde jaar was het echter terug raak. Toen zagen de (cultuur)gemeenschappen en de gewesten het licht zonder dat de oprichting was voorzien in de verklaring tot herziening. Bovendien werd toen een bedenkelijke interpretatie gegeven aan de wijze waarop een 2/3 meerderheid wordt gevormd, iets waarover artikel 195 niets zegt. In de reglementen van Kamer en Senaat werd ingeschreven dat een onthouding niet wordt meegeteld bij de berekening van de 2/3 meerderheid. Zo verkeren we in een situatie waarin, wanneer op 150 Kamerleden er zich 147 onthouden, 1 tegenstemt en 2 voorstemmen, de grondwet wordt gewijzigd. Dat is hilarisch en beantwoordt zeker niet aan de bedoeling van de grondwetgever.

Vindt u bondgenoten in uw kritiek op de opschorting van het artikel?

Mijn meeste collegae-grondwetspecialisten maken in wisselende mate voorbehoud bij de gang van zaken. Sommigen vinden dat het kan, maar dat het onkies is. Anderen vinden het niet kunnen. Merkwaardig is alvast dat ook niet-juristen zich plots in dit juridisch debat mengen. Zo is er volgens politicoloog Dave Sinardet geen vuiltje aan de lucht, maar hij is dan ook een openlijk voorstander van de regeringscoalitie.

Ziet u een uitweg?

Bij procedures tot grondwetsherziening kan je een soepele of rigide procedure hanteren. Eenmaal de keuze gemaakt moet je er voor zorgen dat ze wordt uitgevoerd. Maar daar knelt het schoentje. In België is er geen rechtsinstantie die zich bij betwistingen over de procedure kan uitspreken. Zonder die juridische controle is het voor de politiek makkelijker om bezwaren terzijde te schuiven. Het risico bestaat er in dat je zo ongrondwettelijkheden in de hand werkt. Los daarvan is de huidige procedure niet ideaal. Artikel 195 is niet sacrosanct. Je zou een alternatieve regeling kunnen uitwerken voor een duurzamer procedure. Daarrond circuleren trouwens al scenario’s. Het bekendste alternatief is dat een kwestie een 1ste keer voor het parlement wordt gebracht, waarna een bedenkperiode wordt ingelast om dezelfde kwestie vervolgens terug voor hetzelfde parlement te brengen. Welke weg wordt gevolgd, is uiteindelijk een politieke keuze. In een communautair verdeeld land zoals België kan het van belang zijn om bijvoorbeeld meerderheden in elke taalgroep te eisen. De grondwet houdt daar momenteel geen rekening mee. Maar dit is dan weer een bijkomende grendel en dit land is al vergrendeld.Los daarvan kan je je bedenkingen maken bij een systeem waarin de grondwet zonder meerderheid in beide taalgroepen kan worden gewijzigd, terwijl overeenkomstig artikel 4 van de grondwet voor de herziening van bijzondere wetten een 2/3 meerderheid in totaliteit én een meerderheid in elke taalgroep wordt verondersteld. Dit is een supergrendel die de Vlaamse meerderheid in het parlement teniet doet. Dat roept toch vragen op. Momenteel zijn de eisen voor de verandering van bijzondere wetten zwaarder dan voor de verandering van de grondwet.

België opteert best voor een zo soepel mogelijke procedure, zonder grendels. Ik hoop dat men ooit zal begrijpen dat grendels niet zorgen voor pacificatie, maar wel voor blokkering. De huidige rigide procedure is onhoudbaar. Bovendien wordt ze vaak miskend. In de praktijk is artikel 195 nu een vodje papier. Een land dat zichzelf om de 10 jaar moet hervormen om te overleven kan maar blijven bestaan indien het ook daadwerkelijk kan hervormd worden. En waarom dienen Franstaligen beschermd door supergrendels, daar waar het wel mogelijk is om een regering te vormen zonder Vlaamse meerderheid?

In Vlaanderen groeit de frustratie over een staatsinrichting die door de vergrendeling en andere beschermingsmechanismen van haar numerieke meerderheid een politieke minderheid maakt.Is deze situatie op termijn houdbaar?

Het doel van de opeenvolgende staatshervormingen was nobel: de pacificatie van bevolkingsgroepen met verschillende verwachtingen. Door geven en nemen heeft dat geleid tot een complex systeem. Het lijkt er echter almaar meer op dat dit systeem zijn limieten heeft bereikt. In kwesties zoals B-H-V is blijkbaar geen eerbaar compromis voor beide zijden meer mogelijk. Franstalige politici willen de tweetaligheid verder uitbreiden op Vlaams grondgebied en stoten daarbij op het Vlaamse vasthouden aan de taalgrens. De Franstaligen voelen zich gesterkt door de sociologische evolutie met een aangroeiende anderstalige aanwezigheid in Vlaams-Brabant. Omgekeerd zijn de Vlamingen de Franstalige eisen in de Vlaamse rand hartgrondig beu. Langs Vlaamse zijde groeit ook het ongenoegen over de bescherming van de Franstaligen op federaal niveau. Franstaligen beschikken over een heel arsenaal van grendels en bijzondere meerderheden om de Vlaamse numerieke meerderheid te beknotten. Hierdoor wordt de Vlaamse vraag naar een diepgaande staatshervorming keer op keer geblokkeerd. Dat leidt tot frustraties in beide kampen. ‘Concilier l’inconciable’ – ‘het onverzoenbare verzoenen’ –  blijft het ideaal van premier Elio Di Rupo. Maar dit wordt hoe langer hoe moeilijker.

Terwijl de Franstaligen altijd het zwaartepunt hebben gelegd op de gewestvorming, hebben de Vlamingen steeds voorrang gegeven aan de gemeenschapsvorming. Welke piste volgt het Vlinderakkoord?

Als het Vlinderakkoord wordt uitgevoerd, leidt dat tot een versterking van de gewesten en in het bijzonder van Brussel. Zo hebben de Vlamingen de splitsing van B-H-V, nochtans een evidentie overeenkomstig de grondwettelijke indeling in taalgebieden, afgekocht. Door deze compensatie is er niet langer sprake van een federatie van 2, maar van 3 deelstaten. Brussel wordt een volwaardige deelstaat en zal ongetwijfeld in tal van dossiers de Franstalige kaart trekken. Dat is trouwens al jaren de vaste praktijk. Begin april 2011 vormden de Franstaligen de Franse Gemeenschap zelfs om tot de federatie Wallonië-Brussel. De Franstalige partijen menen  Brussel te kunnen vertegenwoordigen zonder rekening te houden met de Vlaamse ministers van de Brusselse regering. Die stap was ongrondwettelijk, maar ontlokte in Vlaanderen nauwelijks noemenswaardig verzet. Zo creëer je een sfeer waarin de Franstaligen menen zich alles te kunnen permitteren. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de Vlamingen in hun hoofdstad almaar verder worden geminoriseerd.

De Franstaligen hebben dus redenen tot juichen?

Je moet de feiten onder ogen zien. Brussel is een economische metropool die doorwerkt buiten zijn geografische grenzen, in de Vlaamse Rand maar ook verder tot diep in Vlaanderen en Wallonië. Dat is niet uniek aan Brussel. Neem nu Rijsel. Dat is ook een economische metropool met een invloedssfeer tot ver buiten de Franse regio Nord-Pas-de-Calais, tot diep in Zuid-West-Vlaanderen. Maar Rijsel vraagt op grond van die economische realiteit geen wijzigingen van departementale, laat staan landsgrenzen. Dat is precies wat de Franstaligen in België wel eisen. Zij willen geen zuivere splitsing van B-H-V, maar een onzuivere uitbreiding van Brussel. De regeling van de splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel spreekt boekdelen. Die holt de taalwet in gerechtszaken van 1935 uit. De partijen zullen zich immers kunnen wenden tot de rechtbank van hun taalkeuze. Franstalige Brusselse parketmagistraten en Franstalige rechtbanken zullen tot diep in Vlaanderen actief kunnen blijven. Naar aloude Belgische gewoonte is er echter geen sprake van enige wederkerigheid. In Wallonië, waar nochtans ook Vlamingen wonen, zijn geen Nederlandstalige parketmagistraten en geen Nederlandstalige rechtbanken voorzien. Die en andere Vlaamse toegiften zullen de Franstaligen sterken in hun streven naar het samenvallen van de grenzen van Brussel met de grenzen van de economische metropool. Als je die lijn doortrekt moeten grote delen van Vlaams-Brabant, Oost-Vlaanderen, Antwerpen, maar ook Waals-Brabant bij Brussel worden aangehecht. Dat zou het communautaire vuur enorm aanwakkeren. Maar voor iemand als CDH-kopvrouw Joëlle Milquet is dat geen punt. Voor haar is de taalgrens een ‘sociologische vergissing’ en is een geografische link tussen Brussel en Wallonie ‘logisch en coherent’. Milquet begrijpt niet dat pacificatie slechts mogelijk is als de grenzen niet in vraag worden gesteld. Het België waar zij voor staat, is nog altijd het Franstalige België van 1830. Overal in België, dus ook in Vlaanderen, moet het mogelijk zijn in het Frans bediend te worden.

Wat lijkt u in de kwestie Brussel aangewezen?

De Brusselse kwestie moet tot zijn ware proporties worden herleid, en die is sociologisch. De aandacht zou prioritair moeten uitgaan naar de jongeren die massaal in de marginaliteit dreigen terecht te komen. Als je Brusselse gemeenten zoals Sint-Jans-Molenbeek en Sint-Joost-ten-Node doorkruist zie je wat achterstelling betekent. Brussel kent een enorm potentieel aan jonge mensen. Dat is een troef, op voorwaarde dat er wordt geïnvesteerd in het onderwijs. Jonge Brusselaars zouden de school moeten verlaten met een goede kennis van het Frans én het Nederlands. En met vakkennis. Zowel in Vlaams-Brabant als in Waals-Brabant is er een grote vraag naar geschikt personeel. Maar de Brusselse jongeren missen de nodige bagage. Het beleid zou in de eerste plaats daaraan moeten verhelpen, zodat hun kansen op de arbeidsmarkt stijgen. Maar in Brussel lijken velen meer geïnteresseerd in symbolendossiers, zeker als de Vlamingen daarmee bij de bok kunnen worden gezet.

Wie Brussel zegt, zegt Europa. Maar ook het Europese verhaal heeft averij opgelopen?

Het verbaast me dat er altijd zo emotioneel wordt gereageerd bij de overdracht van bevoegdheden naar de deelstaten, terwijl er nauwelijks wordt gedebatteerd over de bevoegdheidsoverdrachten naar het Europese niveau. Nochtans zijn die vaak verstrekkender. Als je de Europese goedkeuring moet krijgen voor je begroting en haar bijsturingen boet je in aan soevereiniteit. Maar de weerstand is quasi nihil, omgekeerd evenredig aan de impact. Het zou me niet verbazen dat het verzet tegen het Europese project gaandeweg gaat toenemen. Het project is te sterk geëvolueerd in een economische richting. Europa heeft de financiële crisis uitgespeeld om zich ook budgettaire bevoegdheden toe te eigenen. Maar de maatschappelijke integratie blijft achter. De samenhang is zoek. Nauwelijks 20 jaar geleden overheerste nog de overtuiging dat de nationale staten binnen het eengemaakte Europa zouden verdampen. Nu blijken ze levensvatbaarder dan ooit.

Hoe zit het met de cohesie binnen België?

In het Ancien Regime was de godsdienst het voornaamste bindmiddel. In de moderne tijden werd dat meer en meer de taal. Precies daarom ligt er een tijdbom onder België. Bij zijn oprichting werd België opgericht als een Franstalige staat, waaraan in Vlaanderen alleen de Franstalige elite participeerde.  In de loop van de jaren heeft Vlaanderen zich geleidelijk opgewerkt en nam het Belgische niveau in belang af. Maar het staat nog altijd overeind. De samenhang blijkt nog altijd voldoende sterk. Maar of dat zo blijft is lang niet zeker. Overigens ben ik het niet eens met hen die België typeren als een consensusmodel. De lange reeks staatshervormingen wijst eerder op een conflictmodel. Ook de 6de staatshervorming zal niet de laatste zijn. Het Belgische staatsrecht is nu al gespleten. Teksten worden bewust zo geschreven dat ze zich lenen tot 2 radicaal verschillende interpretaties. Neem bijvoorbeeld de ordonnanties van het Brussels Gewest. In Nederlandstalige handboeken staatsrecht worden de verschillen tussen decreten en ordonnanties haarscherp uit de doeken gedaan. In Franstalige handboeken daarentegen wordt gesteld dat ze in niets verschillen. Er bestaat enkel nog een ‘V-staatsrecht’ en een ‘F-staatsrecht’. In het ‘F-staatsrecht’ hebben Franstaligen het recht overal in België Frans te spreken, in het ‘V-staatsrecht’ geldt het territorialiteitsbeginsel. Die principes staan haaks op elkaar. Zelfs de ingewikkeldste constructies kunnen dat niet verbloemen.

Guy Leemans

 

° Professor Hendrik Vuye is hoogleraar staatsrecht aan de Universiteit van Namen. Zijnkritische stem in het communautaire debat wordt in Franstalig België niet door iedereengesmaakt. Terwijl de hoofdstroom in de Vlaamse media zich vrijwel neutraal positioneert incommunautaire aangelegenheden, ondersteunen de Franstalige media open en bloot deFranstalige eisen. Recentelijk toonden dr. Magda Michielsens en Walter Angioletti in hunanalyse van het duidingprogramma Mise au point aan hoe tendentieus de RTBf omgaatmet het communautaire dossier. Dergelijke aanpak is in De Zevende Dag, de Vlaamsetegenhanger van Mise au point, niet mogelijk.

Hendrik Vuye kan er over meespreken. Zijn vrijmoedige geluiden zijn de Franstaligeopiniemakers en toppolitici al lang een doorn in het oog. In juni 2010 bijvoorbeeldcontacteerde Joëlle Milquet de Naamse universiteit om haar ongenoegen te uiten. ToenVuye op 19 augustus 2010 in het RTBf-programma Matin Première zei dat men ‘Bart DeWever en de N-VA te veel diaboliseert’ werd hij in Le Soir zwaar aangepakt, met ondermeer insinuaties over zijn partijvoorkeur. Nochtans kon hem enkel een genuanceerdstandpunt over de staatshervorming en het institutionele kluwen Brussel wordenverweten. Ook de RTBf lust Vuye rauw. Het doel – Vuye wraken als professor grondwettelijk recht aan de Naamse universiteit – heiligt de middelen. De laatste steen desaanstoot was een kritische opinie van Vuye over de tijdelijke herziening vangrondwetsartikel 195 in De Morgen van 15 februari. Voor het avondjournaal blikte de Franstalige openbare omroep in zeven haasten een reportage in waarin studenten metsuggestieve vragen werden benaderd en werd afgesloten met de melding dat het bestuurvan de universiteit zich over de positie van Vuye zou buigen.

Maar de RTBf schoot in eigen voet. Want de Naamse studenten reageerden kritisch … ophet gebrek aan journalistieke deontologie bij de Franstalige openbare omroep. Tijdens zijneerste college na de uitzending werd Hendrik Vuye door zijn studenten vergast op applaus. Rector Yves Poullet uitte zijn ongenoegen in een brief aan de voorzitter van de raad vanbestuur van de RTBf. Last but not least verkozen de studenten van de Naamserechtsfaculteit Vuye met een afgetekende score tot hun beste professor. Bestaat er dan toch gerechtigheid?