Interview prof. dr. Jan De Groof en erenotaris Richard Celis

Nederlandse taal en cultuur  vereisen ambitie

Stilstaan is achteruitgaan. Daarom zet VOS zich voluit achter de toekomstverkenningen Richard Celis. In het spoor van de gerespecteerde erenotaris, gangmaker van vele baanbrekende initiatieven, worden de verkenningen op 12 mei geopend met een conferentie over de Nederlandse taal en cultuur. Hier geven we alvast een schot voor de boeg met conferentievoorzitter prof. dr. Jan De Groof en Richard Celis.


Waarom gaan de toekomstverkenningen van start met een debat over de Nederlandse taal en cultuur?

(RC) De internationalisering is niet te stuiten, ook cultureel. Met het Engels als lingua franca kunnen we communiceren met anderstaligen van velerlei herkomst. Maar het is niet de bedoeling dat het Engels in Vlaanderen de plaats van het Nederlands inneemt. Gelukkig zijn wij daarvoor als Vlamingen extra gevoelig omdat we ons pas na een lange ontvoogdingsstrijd hebben losgemaakt van het franskiljonse juk. De uitwassen van anderstalige dominantie zitten diep in ons collectieve geheugen gegrift. Als Vlamingen beseffen wij wat het betekent als je je eigen taal en cultuur onder sociale druk moet opgeven. Zo zijn wij altijd alert gebleven voor nieuwe vormen van cultuurimperialisme en taal-culturele discriminatie. Afgezien van de taalgrenszone en Brussel dreigt heden evenwel niet langer verfransing dan wel verengelsing. Los daarvan moeten we in een open geest voortdurend werk maken van culture verfijning. Daarom handelt onze openingsconferentie over de Nederlandse taal en cultuur.

Hebben talen en culturen dan een waarde op zich?

(RC) De beleving van de taal en cultuur waarin je bent opgegroeid geeft extra uitstraling aan je leven. Onze moedertaal is meer dan een louter communicatiemiddel. Ze is innig verweven met onze leefwereld in al zijn facetten en vormt zo mee onze culturele identiteit. Die identiteit evolueert voortdurend in een dynamisch proces, waarin elementen verdwijnen en andere in wisselwerking met andere culturen worden eigen gemaakt. Een cultuur is altijd doorleefd en heeft een authentieke waarde op zich, omdat hij zin en betekenis geeft aan ons leven. Als Vlamingen staan we gelukkig niet alleen in de verdediging van onze authenticiteit. Het zwaartepunt van de Nederlandse cultuur ligt immers bij onze noorderburen. Cijfermatig weegt Nederland zwaarder door dan Vlaanderen. Maar als je ziet hoeveel Vlamingen een vooraanstaande rol spelen in het Nederlandse culturele leven – artistiek, journalistiek, wetenschappelijk, … – kunnen we onze spreekwoordelijke bescheidenheid met een gerust gemoed afleggen en zonder scrupules Nederland tegemoet treden. Omgekeerd taant de Nederlandse arrogantie door de verzwakkende positie van Nederland in Europees en zeker in wereldverband. Zowel Vlaanderen als Nederland zijn dus gebaat bij meer culturele samenwerking.

Hoever staat het met die samenwerking?

(JDG) Structureel startte die ruim 60 jaar geleden, met het Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag uit 1946. Dat verdrag werd in 1995 herzien en leidde tot de oprichting van de Nederlandse Taalunie in 1980, De Brakke Grond in 1981, ‘deBuren’ in 2004, de openbare televisiezender BVN voor Nederlandstaligen in het buitenland, … Ook op onderwijsvlak werden akkoorden en verdragen afgesloten. Initiatieven zoals de wereldwijd unieke Taalunie ogen mooi en hebben hun verdiensten. Maar we zijn er nog lang niet. De onduidelijkheid over het uiteindelijke doel van al deze instrumenten spreekt boekdelen. Soms is er sprake van ‘integratie’, dan weer van ‘uniform beleid’, ‘samenwerking’ of ‘onderlinge afstemming’. Bovendien laat de toepassing van dit arsenaal aan instrumenten wel eens te wensen over. Wat meer ambitie zou welkom zijn. Vooral langs Nederlandse zijde stokt een en ander. In 2005 schaarde het Vlaams Parlement zich eensgezind achter de ambitieuze ‘Strategienota Nederland’, – een uitstekend document van minister Geert Bourgeois -, waarin een strategische alliantie van Vlaanderen en Nederland werd voorzien. Nederland reageerde niet eens. Het worstelt met de staatkundige ontwikkelingen in België. Zo keurde de Tweede Kamer enkele jaren geleden een voorstel goed om de culturele samenwerking met Vlaanderen uit te bouwen onder de paraplu van de Taalunie. Maar die is daarvoor eigenlijk niet geschikt. Ook de Europese Commissie heeft boter aan het hoofd. Het verdrag van Amsterdam heeft cultuur tot een van de opdrachten van de Europese Unie geproclameerd, maar de EU brengt er vooralsnog weinig belangstelling voor op.

Mogen we vanuit de hoek van de Europese Unie wel heil verwachten?

(RC) Door de financiële crisis en het democratische deficit heeft de Europese gedachte zware averij opgelopen. In Nederland is de euroscepsis nog groter dan in Vlaanderen. Maar er is geen alternatief voor méér Europa. Zonder het Europese project zouden we helemaal niet meer meespelen op het wereldtoneel. Binnen het Europa in eenwording kunnen Vlaanderen en Nederland best zoveel mogelijk aan een zeel trekken. We hebben bijvoorbeeld allebei belang bij een grensoverschrijdend haven- en milieubeleid. Alleen dergelijke samenwerking kan voorkomen dat de grote jongens zoals Duitsland en Frankrijk alle zeggenschap verder naar zich toetrekken. Wat geldt voor onze verhouding tot Europa, geldt mutatis mutandis nog sterker voor onze verhouding tot de wereld. De hogere beleidsniveaus kunnen een voorbeeld nemen aan de lagere. Jaarlijks noteren we nu al meer dan 300 grensoverschrijdende plaatselijke projecten.

Hoe diep moet de Vlaams-Nederlandse samenwerking gaan?

(JDG) We mogen niet in de val van de nostalgie trappen. We moeten met onze beide voeten op de grond blijven. Af en toe spreekt een bekende Nederlander of Vlaming zich uit voor een fusie tussen Nederland en Vlaanderen of een verdieping van de Benelux. De tijd is niet rijp voor een of andere vorm van Nederlands-Vlaamse politieke unie. Er zijn andere vormen van toepassing van subsidiariteit mogelijk, ook vanuit Europees of internationaal perspectief.  Bij de hernieuwing van het Beneluxverdrag, waarvan de relevantie nauwelijks in vraag is gesteld, werden overigens opportuniteiten voor een efficiënter gemeenschappelijk grensoverleggende samenwerking onbenut. Het congres dat ik, op verzoek van de Orde van den Prince terzake mocht inrichten, had meerdere, concrete ‘grensverleggende’ suggesties geformuleerd. Franstalig België is echter nog altijd gekant tegen een fundamentele versterking van de Benelux, uit vrees voor minorisering tegenover een Nederlandstalige meerderheid. Realisme dwingt ons er toe stapsgewijs te werk te gaan, met als eerste doel de creatie van een gemeenschappelijke Nederlandse-Vlaamse ruimte, bij uitstek op de vlakken van cultuur, onderwijs en wetenschap. Ik merk echter een stilstand of zelfs achteruitgang op verschillende vlakken…

Wat is er op die terreinen al bereikt?

(JDG) We staan al verder dan velen denken. Neem nu het hoger onderwijs. Sinds de oprichting van de NVAO kennen Vlaanderen en Nederland een gezamenlijk accreditatieorgaan om de universiteiten te toetsen op hun prestaties. Zo kan je de universiteiten beoordelen volgens kwaliteitscriteria en zet je aan tot een gezonde concurrentie om het beter te doen. Maar daar blijft het niet bij. Bij de evaluatie van hogescholen en universiteiten aan de hand van gemeenschappelijke standaarden worden ook uitspraken over maatschappelijke dimensies gedaan die verder reiken dan het universitaire circuit, maar stakeholders in het gehele onderwijsveld raken. De NVAO zorgt bijgevolg voor een spillover effect. Al was de NVAO initieel enkel gericht op het hoger onderwijs, in de praktijk deint haar invloed uit naar het hele onderwijsveld en bij uitbreiding naar het ganse sociale weefsel. Dit is een positief verhaal. Maar er is nog veel werk aan de winkel. Om te komen tot één ruimte in het hoger onderwijs zou bij voorbeeld moeten worden geïnvesteerd in vergaande samenwerking rond fondsen en programma’s voor wetenschappelijk onderzoek. Afzonderlijk missen zowel Vlaanderen als Nederland de financiële draagkracht om de internationale tendens competitief te blijven volgen zodat ook het aanbod van opleidingen in gemeen overleg kan geschieden. Samenwerking, door bepaalde gespecialiseerde opleidingen slechts in 1 instelling te programmeren, zou de financiële druk verlichten.

Zijn het ook financiële overwegingen die leiden tot de verengelsing van ons hoger onderwijs?

(RC) Onrechtstreeks is dat zeker het geval. De rangschikking van universiteiten en hogescholen wordt mee bepaald door de mate waarin hun onderzoekers worden opgenomen in citatenindexen. Hoe meer een auteur wordt geciteerd, hoe hoger hij – en de instelling waarvoor hij werkt – scoort. De voornaamste van die indexen baseren zich hoofdzakelijk op Engelstalige literatuur. Dat zet aan tot publiceren in het Engels. Ook daar speelt een spillover effect, omdat dit op zijn beurt Engelstalig onderwijs bevordert. Het gevaar is dat elke instelling op termijn zijn hele gamma aan opleidingen verengelst. We stellen ook vast dat de syllabi voor eerstejaarsstudenten almaar meer enkel in het Engels worden aangeboden. Dat gaat een brug te ver. Op bachelorniveau moet het Nederlands de regel blijven. Alleen dan kan het zich als een volwaardige taal in het hoger onderwijs handhaven. Op masterniveau zou je al meer ruimte aan het Engels kunnen laten, al blijf ik er bij dat elke opleiding aan elke Vlaamse instelling volledig in het Nederlands moet worden aangeboden. Aan post-masteropleidingen daarentegen hoef je geen taalbeperkingen op te leggen. Op dat niveau beschikken de studenten al over voldoende Nederlandstalige bagage.

Waarom moeten we vasthouden aan het Nederlandstalig hoger onderwijs?

(RC) Als een taal niet meer wordt gebruikt in het hoger onderwijs, zal ze in het gehele onderwijs en heel het maatschappelijk leven in de verdrukking komen. Het Nederlands zou zo worden gedegradeerd tot de bedenkelijke status die het genoot voor de taalwetten het hier evenwaardig aan het Frans verklaarden: tot een huis- en keukentaal. Vooral de sociaal zwakkere groepen, zoals de migranten, zouden daarvan het slachtoffer worden. De nieuwe taalkloof zou de sociale kloof nog versterken. Daarom moeten we hameren op een voor het Nederlands aan het Engels gelijkwaardige positie in het gehele onderwijs. Persoonlijk ben ik voorstander van een goede meertalige opleiding. Jongeren zouden het middelbaar onderwijs moeten verlaten met een goede kennis van het Nederlands, het Engels en het Frans. Meertaligheid is van levensbelang om de uitdaging van de internationalisering te beantwoorden. Zo zouden ook perverse evoluties kunnen worden voorkomen. In de huidige situatie is het perfect mogelijk dat een student geneeskunde die in het Engels werd opgevoed een artsendiploma verwerft aan een Nederlandse universiteit en vervolgens zonder degelijke kennis van het Nederlands een praktijk in Antwerpen vestigt. Het OVV heeft Vlaams minister van Onderwijs Pascal Smet hierover al aangesproken, voorlopig zonder resultaat.

Hoe geraken we hier uit?

(JDG) We moeten inderdaad streven naar meertaligheid. De nood is hoog, ook wat de kennis van het Nederlands betreft. Dit geldt niet enkel voor de Vlaamse Gemeenschap. Nauwelijks de helft van de kandidaat-studenten in de Rechten aan de Erasmusuniversiteit van Rotterdam slaagt in zijn voorafgaandelijke taalproef Nederlands. Dat onthutsend resultaat is geen unicum. Zowat de helft van de inwoners van de grote stedelijke agglomeraties in Nederland en Vlaanderen kent niet het Nederlands als moedertaal. Daarom investeren zowel Vlaanderen als Nederland zwaar in inburgeringstrajecten en taalverwerving. Die investeringen moeten echter nog worden opgewaardeerd. De opleidingen Nederlands moeten worden uitgebreid met formules waarbij cursisten desnoods met zachte dwang worden ondergedompeld in intense taalbaden. Dat is een noodzakelijke vereiste als we echt werk willen maken van een gelijk kansenbeleid. Uiteindelijk moeten we in ons onderwijs blijven streven naar een evenwicht tussen onze Nederlandse taal als gemeenschapsvormend instrument enerzijds en onze plicht om te beantwoorden aan internationale kwaliteitsverwachtingen anderzijds. Kennis van de Nederlandse taal is een doorslaggevende sleutel voor de ontwikkelingskansen van elk toekomstig burger.

Hoe moeten we omgaan met tendensen zoals het verkavelingsvlaams en het Poldernederlands?

(RC) We mogen vooral niet krampachtig reageren. Soms wordt wel eens voorgehouden dat het Nederlands uitsplitst in 2 talen. Maar het Nederlands kent al sinds lang veel meer plaatselijke en regionale varianten. Er hebben altijd dialecten bestaan. En het ene verkavelingsvlaams is het andere niet. In de media circuleren ook daarvan meerdere varianten. Hoofdzaak is dat we ook vasthouden aan onze standaardtaal en dat we ons er gepast van bedienen. Onlangs ervoer ik nog ietwat pijnlijk hoe het niet moet. Op de nieuwjaarsreceptie van de Antwerpse tak van de  Orde van den Prince, als vereniging een vurige pleitbezorger van de standaardtaal, wisselde de entertainer van dienst standaardtaal met het Antwerps dialect. Daardoor bleven enkele Nederlandse vrienden de helft van de tijd op hun honger. Er is niets mis met een dialect, maar je moet wel weten waar en wanneer je het kan gebruiken.

De standaardtaal en regionale varianten zijn complementair?

(JDG) Dialecten geven dikwijls meer kleur aan een taal. Ik ben elk jaar aangenaam verrast wanneer bij de opening van het academische jaar aan de Universiteit Hasselt het Limburgs volkslied wordt aangeheven. Soms sijpelen vanuit dialecten trouwens woorden de standaardtaal binnen. Om dezelfde reden moeten we niet principieel afwijzend reageren op leenwoorden uit andere talen. Doordat Nederland eeuwenlang een belangrijke rol heeft gespeeld in de zeevaart, vind je bijvoorbeeld in vele andere talen van oorsprong Nederlandse namen in dat domein terug. Talen leven en ontwikkelen zich in wisselwerking met hun omgeving en andere talen. Keurig taalgebruik is niet gebaat met permissiviteit – niet alles moet kunnen – maar ook niet met isolement. Het komt er vooral op aan dat we onze standaardtaal blijven doorgeven in het onderwijs met verhoogde inspanningen naar sleutelopleidingen, zoals de lerarenopleidingen en de cursussen Nederlands aan nieuwkomers.

Guy Leemans

Prof. dr. Jan De Groof is hoogleraar aan het Europacollege in Brugge en aan de Universiteit Tilburg. Richard Celis is erenotaris en lag aan de basis van talrijke, dikwijls vernieuwende Vlaamse initiatieven.