Klas 13, nummer 13

Vrede wordt niet uit oorlog geboren

1977. Zoals hij daar geveld lag, had ik mijn vader nooit tevoren gezien. Gekrompen. Ik had altijd naar hem opgekeken als naar een reus. De reus uit mijn kinderjaren, maar ook als de man die mij later imponeerde met zijn rustig verstand en rond karakter. Zou hij mij nog horen? Passeerde nu de film van zijn leven in zijn geest?  Zijn 6 jaren soldatendienst vooral?


Vader werd op 10 november 1983 in Sint-Niklaas geboren als derde kind in een rij van 8. Alphonsus Polydorus Joseph Marie. Hij kreeg volop de kans om zich te ontpoppen als een roodharige schavuit, waar je niet boos op kon worden, die het er op school goed vanaf bracht. Het was de tijd van de ver doorgevoerde verfransing van Vlaanderen. Alle vakken, zelfs het Vlaamsch, werden in het Institut Saint-Joseph in Saint-Nicolas-Waes, integraal in het Frans gegeven. Volgens zijn – uiteraard Franstalig – prijsboek van le 30 juillet 1908 kreeg hij dat jaar de Prix d’honneur. Hij was toen 15, klaar met het lager middelbaar. Nadien volgde hij nog handels- en taallessen. Frans, Duits en Engels. Aan het front zou hem dat goed van pas komen.

De situatie thuis maakte het nodig dat Fons zo vlug mogelijk een centje binnenbracht. Tot 1913 werkte hij op kantoor. En ’s zondags was hij jeugdleider bij het jongerenpatronaat van de O.L.Vrouwe-parochie. Ook dat zou een rol spelen in zijn soldatenleven. Zijn oudere broer had er zich nog uitgeloot, maar in 1913 werd een algemene dienstplicht ingevoerd. Vader werd in Dendermonde eerst afgekeurd wegens te smalle schouders voor een ransel. Hij tekende een beroep aan en werd op 10 september alsnog goed bevonden voor de dienst. Soldaat nummer 13 voor de klas 13. Nauwelijks 5 dagen later begon zijn legerdienst onder het stamnummer 59.935 bij de 3de compagnie van het 1ste Linieregiment.

Soldaat nr. 13 trof het wel erg slecht! Hij had er bijna één jaar dienst op zitten toen begin augustus 1914  de Eerste Wereldoorlog uitbrak. De kersverse korporaal Alfons moest de vijand tegemoet trekken, maakte de afmattende en demoraliserende terugtrekking van het Belgische leger mee, en ook de slag aan de IJzer die woedde van 17 tot 31 oktober 1914. Op 19 oktober kreeg de  legerdivisie, waartoe vaders regiment behoorde, de opdracht de Duitsers bij Vladslo aan te vallen. Was het toen dat hij op zijn schouder een dodelijk gewonde Waal naar de infirmeriepost droeg?  Vader kreeg in elk geval de medaille van strijder-vrijwilliger, waarschijnlijk nog in 1914. Voor zijn deelname aan de IJzerslag kreeg hij het IJzerkruis, de kwetsuurstreep en zijn eerste frontstreep.

De IJzervlakte werd onder water gezet. Het Belgische legertje dat 25.000 man verloor, reorganiseerde zich. Het IJzerfrontleven kon beginnen. Op 14 september 1915 stuurde hij aalmoezenier Palms van het jongenspatronaat in Sint-Niklaas zijn foto. In militair tenue, met kepie. En de woorden Uit vriendschap en erkentenis. Voor God en vrijheid. Vader kan me niet meer vertellen wie hem destijds de wassen Agnus Dei geschonken had. Maar ik weet in ieder geval dat hij deze Agnus Dei gedurende de hele oorlog op zak heeft gehouden. Tegengif tegen dat  nummer 13 ?

Benevens de dagelijkse beproevingen van de moddergrachten, de luizen en vlooien, de ruwheid en het bestendige levensgevaar, vrat ook de verveling aan het moreel van de troepen. Vader vertelde dat hij als remedie hiertegen op de landkaart door heel het bezette gebied ingebeelde reizen ondernam. Dat zal zeker het geval zijn geweest toen hij van zijn neef Gustave een briefje kreeg, waarin die hem meedeelde dat hij ging trouwen om vervolgens naar het front in …Congo te trekken. De oorlog! Vaak vertelde vader ons dat hij elke avond doodmoe de dag besloot met Wees gegroet, dood, Amen. Of met Onze vader, kwaden, Amen! Jezuke kent mijne zin en Fonske kruipt erin.

Thuis dachten ze dat die oorlog niet lang zou duren. Dat schreef hem in elk geval zijn oudere broer. Maar dat was een illusie. In 1916 werd vader naar het Franse Oreil-sur-Mer gezonden om er te leren schieten met de mitrailleuse. En op 26 augustus van dat jaar las hij op het legerdagorder dat sergeant Alfons op het bureau van de korpschef in Westvleteren verwacht werd om een onderscheiding in ontvangst te nemen. En dan waren er de kleine dingen in de grote oorlog. Een kennis van de familie liet vader weten dat hij hem via Baarle-Hertog een regenmantel had opgestuurd, die echter nooit aankwam. Bij navraag liet de telegrafist van dienst weten dat de rubberen mantel beschouwd werd als…oorlogssmokkelwaar en dus ter beschikking bleef van het Belgische comité in Breda. Als compensatie stuurde diezelfde telegrafist vader wat later 2 pakjes tabak en wat repen Kwatta-chocolade. Die man had ooit nog in Sint-Niklaas gewoond.

In 1917 begonnen de gore frontellende en het uitzichtloze van de oorlog zwaar te wegen. Kon een vleugje humor helpen? Laat de muis leven, je kan er nog plezier aan beleven spotten de soldaten in de voorste loopgraven bij hun aflossing. Maar al te vaak evolueerde de soldatenhumor tot bittere galgenhumor. En Vlaamse piotten werden met wantrouwen in het oog gehouden. Alle Belgische legerdocumenten van mijn vader waren zonder één uitzondering in het Frans gesteld. Zelfs documenten uit 1929, meer dan 10 jaar na het einde van de oorlog. Voor vader was dat taaltechnisch geen probleem. Maar toch stoorde hem dat, sociaalvoelend als hij zijn ganse leven geweest is.  Dus heeft de oorlog ook van hem een flamingant gemaakt. En een antimilitarist.

In perioden van rust werd vader wel eens opgevangen in een bakkersgezin in De Panne. Bij bakkersdochter Lieske Bubbe, die een beetje op zijn moeder geleek, vond vader huiselijke gezelligheid en menselijke omgang. Hij zal wel even op Lieske verliefd geweest zijn. Maar hij had zich voorgenomen onbesmet uit deze oorlog te komen. De Sint-Niklase legeralmoezenier August Nobels  had al in 1915  voor de schuur van het pachthof Van der Eecken in Elzendamme-Linde met en voor de soldaten een revue opgevoerd waarin het soldatenleven met zijn lief en leed werd uitgebeeld. Na de oorlog heeft vader voor een wederopvoering van deze revu gezorgd zodat de Sint-Niklazenaren er enig idee van kregen wat er zich aan en achter het front had afgespeeld.

Vader voelde zich het best thuis tussen de gewone piotten, die vaak door hun Franstalige oversten in steek werden gelaten en regelrecht geminacht.  In 1918 vroeg hij schriftelijk afstand te mogen doen van elke bevordering. Hij verkoos het eindoffensief mee te maken, zoals iedereen. Vaak heeft hij ons verteld dat soldaten voor de aanval een extra portie rum kregen. Heeft hij daarom nooit meegedaan aan de patriottische heldenverering? Oorlog kende voor hem alleen maar verliezers en gesneuvelden waren in zijn ogen slachtoffers van dezelfde oorlogsmachine, waar sommigen zich dan nog eens verrijkten. Vandaar dat wij thuis nooit mochten spelen met soldaatjes. Ik herinner me nog goed hoe hij een blikken speelgoedpantserwagen voor onze ogen plat trapte. Geen oorlogstuig in mijn huis!

Ook na 11 november 1918 was de soldatentijd niet voorbij. Vader werd naar het Duitse Kevelaar gezonden, als lid van de Belgische bezettingsmacht in Duitsland.  Pas in 1919 keerde hij terug naar Sint-Niklaas. In december richtte hij er met enkele frontmakkers een lokale Vos-afdeling op, met de daarbij horende toneelbond Voor Onzen Stam. Tot zijn 72ste levensjaar bleef hij actief als voorzitter. Vader kreeg 8 frontstrepen, en het oorlogskruis met palmen. Ergens in een oud sigarenkistje heb ik de replica’s van deze eretekens bewaard. De originele decoraties heeft hij nog voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog aan het IJzerbedevaartcomité geschonken en ze zijn in de nacht van 15 op 16 maart 1946 door het gemene spookwerk van Belgische grafschenders mee de lucht ingevlogen.

Oorlog. Thuisgekomen van zijn grote oorlog getuigde vader in zijn Boek van de soldaat er over. Eer en plicht, schreef hij in dat militair zakboekje, zijn in alle landen de voorwendsels waarmee de massa’s in het vuur worden gejaagd. Vrede wordt niet uit oorlog geboren, maar wel uit Kristene naastenliefde. In 1977 verloor vader zijn laatste strijd. Op zijn rouwbrief en bidprentje moest uitdrukkelijk vermeld worden Vlaamse oud-strijder 1914-1918 – VOS. En ik ben er zeker van dat Sint Pieter hem heeft opgewacht, met de echte decoraties in de hand, opgevist uit de stofwolk van 1946 boven Diksmuide.  Hela, nummer 13 van de klas 12, hierheen, hoor ik Sint Pieter zeggen. Kom Fons, voor u heb ik nog een plaatsje in de voorste rij.

Jos de Cock