Laatste veteraan Grote Oorlog overleden

De boodschap, daar gaat het om

Begin februari overleed Florence Green, de laatste veteraan van de Eerste Wereldoorlog. Haar dood werd breed uitgesmeerd. De jongste jaren was er dikwijls meer belangstelling voor weetjes dan voor de essentie van de Grote Oorlog: een immense slachtpartij die bestaande discriminaties nog aanscherpte. Daarin wortelt de kracht van de IJzerboodschap.


Begin februari, 110 jaar oud, overleed de Britse Florence Green, hoogstwaarschijnlijk de laatste veteraan uit de Eerste Wereldoorlog. Absoluut zeker is dat echter niet. Als je kijkt naar de lijst van de laatst overleden veteranen valt op hoe weinig namen van de zogenaamde Centralen – de Duitsers en hun bondgenoten – hierop voorkomen. Voor de verliezers viel er geen eer te rapen. De laatst bekende overleden Duitser uit de Grote Oorlog was Erich Kästner. Die was aan het einde van de oorlog nog ingezet bij de Duitse terugtocht. Kästner overleed in 2008, 107 jaar oud. Hij was altijd erg terughoudend geweest over zijn soldatenjaren. Daarom, maar ook omdat de Duitse overheid geen overzicht heeft van haar veteranen uit de Eerste Wereldoorlog, bleef zijn dood zelfs 3 weken onopgemerkt. Het is dus mogelijk dat er nog ergens een veteraan in leven is. Maar die kans vermindert dag op dag.

Terug naar Florence Green. Die trad in september 1918 in dienst van de Britse Women’s Royal Air Force. Als serveerster in de officiersmess van de luchtmachtbasis Marham in het veilige Britse Norfolk, wel te verstaan. Green heeft tijdens haar dienst geen loopgraaf gezien of vijandelijke kogels horen fluiten. Het heeft tot 2010 geduurd alvorens ze officieel als oorlogsveteraan werd erkend, nadat een Britse correspondent haar naam tegenkwam in de nationale archieven en daarbij haar dienstjaren terugvond. Maar je kan Green bezwaarlijk als een oud-strijder typeren. Dat geldt trouwens voor heel wat van de laatste generatie overlevenden. Zij behoorden meestal tot de laatste lichtingen, die pas in de eindfase van de oorlog of helemaal niet meer in actie kwamen. In ieder geval werd met hun heengaan een tijdperk afgesloten.

De moraal van het verhaal

De mediabelangstelling voor de laatste oorlogsveteranen steeg naarmate het aantal overlevenden fors terugliep. Het was moeilijk afscheid nemen van de levende ‘memorialen’ van de Grote Oorlog. Zoals Claude Choules, een Britse marinier die in 2011 overleed in Australië. Voor wie zijn leeftijd benijdde, gaf deze krasse hoogbejaarde – die tot zijn 100ste dagelijks een duik nam in de zee – een gouden tip mee: ‘levertraan, dagelijks een mok havermoutpap en blijven ademen’. Allicht was Choules de laatste veteraan die aan oorlogshandelingen heeft deelgenomen. Alhoewel, want de reputatie van de Britse zeemacht was zo groot dat de Duitsers confrontaties op zee uit de weg gingen. Choules zou nooit een echte zeeslag hebben meegemaakt. Later hekelde hij elke oorlogsdaad en paste hij voor militaire parades. Als de ‘oude’ mannen die jongelui de oorlog instuurden zelf de gevechten zouden moeten aangaan, zei Choules, waren oorlogen meteen uitgebannen. Op leeftijd  profileerde hij zich als een overtuigde pacifist en kantte hij zich sterk tegen de verheerlijking van de oorlog.

Veruit de meeste van zijn lotgenoten brachten gelijkaardige boodschappen. Zoals de Brit Harry Patch, in 2009 overleden op 111-jarige leeftijd. Mogelijk was Patch de laatste oud-strijder die daadwerkelijk in de loopgraven heeft gevochten. Patch werd ingezet bij de Derde Slag om Ieper, de beruchte slag om Passendale. Zoals zovelen werd hij zwaargewond afgevoerd. Nog in 2007 woonde hij in Ieper een herdenkingsplechtigheid bij. Patch verhaalde: ‘Die Duitser kwam op me af en ik dacht: waarom zou ik hem afmaken? Hij heeft misschien een moeder. Misschien heeft hij broers en zussen. Hij kan gehuwd zijn en een jong gezin onderhouden. Ik kan hem niet doden. En ik doodde hem niet. Ik schoot hem boven de enkel en boven de knie en legde hem zo neer’. We zullen nooit achterhalen of Patch de waarheid sprak. Maar gesprekken met oud-strijders uit latere oorlogen doen gegronde twijfels rijzen. Hoe kan je in het heet van de strijd zo precies te werk gaan? In gevechten op leven en dood is er weinig marge voor menselijkheid. Dan is het de tragiek van zij of wij, hij of ik. Als je op dat moment gewetenswroeging toont breng je je eigen leven en dat van je kameraden in gevaar.

Het lijkt er op dat Patch zoals vele strijdmakkers zijn verhaal heeft gekleurd om ons te brengen wat wij hier en nu willen horen: een terugblik op het verleden om er lessen uit te trekken voor de  toekomst. Omdat veteranen als Patch het persoonlijk meemaakten, krijgt hun morele oproep voor ons iets zuiver en authentiek. Als zodanig speelden zij de rol die wij hen toedichtten. Wie er niet bij was, geniet niet dezelfde autoriteit en wordt al snel als moraalridder versleten – de beste stuurlui staan immers aan wal. Wel moet je bij de verhalen van oud-strijders zoals Patch rekening houden met een stuk vertekening, omdat zij onder druk staan om hun getuigenissen af te stemmen op onze verwachtingen. Dat neemt niet weg dat mondelinge getuigenissen belangrijk zijn. Maar je moet die verhalen, zoveel jaar na de feiten, wel kunnen toetsen. Dat is gelukkig mogelijk, omdat vele oud-strijders brieven en dagboeken nalieten. Als die overeenstemmen met wat getuigen vele jaren later vertelden, benader je allicht de realiteit.

Dat nooit meer

Voor een realiteitsgetrouw inzicht in de ervaringen van de Vlaamse frontsoldaten beschikken we gelukkig over eigentijdse documenten. Denken we maar aan de brieven van de gebroeders Frans en Edward Van Raemdonck, waaruit Luc De Ryck, burgemeester van Temse, grote passages heeft gepubliceerd in Terug naar Niemandsland. De geschiedenis van de gebroeders Van Raemdonck. Mythe en werkelijkheid. Recentelijk werden ook enkele oorlogsdagboeken gepubliceerd, zoals Mijn Grote Oorlog van Jef Vermeiren en het – heruitgegeven – dagboek van Gaston Le Roy. Al deze geschriften ademen eenzelfde sfeer. Eenmaal de oorlog zijn tol begon te eisen, werd hij hartsgrondig vervloekt. Kenmerkend is ook dat het Vlaamse zelfbewustzijn gaandeweg toenam. Dat gebeurde hand in hand met een groeiende afkeer voor de militaire discipline.

Mondelinge getuigenissen van Vlaamse frontsoldaten stroken met die trend. Ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van de wapenstilstand in 1993 bundelde VOS het relaas van 7 oud-strijders op video. Toen waren er nog slechts enkele honderden in leven. In IJzerkinderen. Getuigenissen van het ‘laatste carré’ liet VOS Karel Claessens, Oscar Dene, Jef Mertens, Frans Moermans, Louis Pacolet, Lucien Stekelorum en Edmond Van den Bossche aan het woord. Hun boodschap was duidelijk: ‘Dat nooit meer’. Hun herinneringen waren gelijklopend. Vooral de intense kameraadschap aan het front was hen bijgebleven. Hun gemeenschappelijke overlevingsdrang leidde tot een grote onderlinge solidariteit, tenminste binnen de eigen gevechtseenheid.

Die solidariteit werd bevorderd door hun gemeenschappelijke achtergrond. Het waren overwegend jongens van eenvoudige komaf, die al voor de oorlog aan den lijve had ondervonden wat achterstelling in het door de Franstalige elite gedomineerde Vlaanderen betekende. Die ervaringen van discriminatie lieten zich nog sterker voelen aan het IJzerfront, waar zij als eenvoudige volksjongens vaak in de eerste linies terechtkwamen. Geen wonder dat zij na de oorlog onder het motto zelfbestuur, nooit meer oorlog en godsvrede een ommezwaai eisten. En zich verenigden in VOS dat naast hun idealen ook de zorg opnam voor hun re-integratie in de samenleving.

Guy Leemans

De video  IJzerkinderen. Getuigenissen van het ‘laatste carré’ werd overgezet op DVD. De DVD kan voor plaatselijke voorstellingen worden uitgeleend op het secretariaat. Duurtijd: ca. 35 minuten.