Limburgs Studentenblaadje voor oorlogstijd

Wij zijn eerst Vlaming

Op 1 mei, Vlaamse Erfgoeddag, heeft het Archief en documentatiecentrum voor het Vlaams-nationalisme een tentoonstelling georganiseerd over de geestelijke armoede aan het IJzerfront. Ondermeer Frontblaadjes moesten Vlaamse soldaten een houvast bieden. Voor de Franstalige legertop was vooral het Limburgsch Studentenblaadje de kop van Jut.

Het eerste Frontblaadje, bestemd voor soldaten uit Sint-Jans-Molenbeek,werd in 1915 uitgegeven door aalmoezenier Jan Bernaerts, voor de oorlog kapelaan in Molenbeek. Het was een schot in de roos, het uitgeven van Frontblaadjes werd snel een ware rage. In 1916 waren het er al 51, in de herfst van 1917 publiceerde Onze Temschenaars een lijst met toen 83 bladen. Bijzonder actief was de later als oprichter en bezieler van Sporta bekende norbertijn Antoon van Clé die diverse frontblaadjes uitgaf.

Op 1 februari 1916 verscheen het Limburgsch Studentenblaadje voor oorlogstijd van aalmoezenier Paul Vandermeulen. Het zou maar verschijnen tot 1 mei 1917. Aanvankelijk gold de censuur niet voor deze frontblaadjes, maar vanaf mei 1917 konden ze niet meer verschijnen zonder toelating van de legerleiding. Aanleiding voor deze censuur waren een aantal artikels in het blad van Vandermeulen. Het Limburgs Studentenblaadje werd zonder meer verboden. Andere bladen hielden er vrijwillig mee op omdat ze niet wilden buigen voor de anti-Vlaamse censuur. Ze verdwenen of verschenen voortaan clandestien.

De Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse beweging heeft duidelijk geen hoge dunk van deze blaadjes. Ze gaven, aldus de encyclopedie, een thans eerder ontstellend beeld van het lage intellectueel niveau van de gemiddelde Vlaming tijdens de Eerste Wereldoorlog. Dit moet ten zeerste genuanceerd worden. Er moet niet alleen rekening gehouden worden met de moeilijke omstandigheden waarin deze bladen gemaakt werden, maar uiteraard ook met de tijdsgeest van die jaren. Voor het Limburgs Studentenblaadje gaat deze beoordeling in geen geval op. Het blad dat om de 2 weken verscheen getuigde absoluut niet van een laag intellectueel niveau. En het genoot niet alleen aan het front, maar ook in het bezette Vlaanderen en in Nederland ruime aandacht. Aan het Limburgs studentenblaadje werkten ondermeer Cyriel Verschaeve, Filip de Pillecyn, Lambrecht Jeurissen, en aalmoezenier Lode Clijsters mee.

De frontblaadjes werden gratis verspreid en dus moesten de uitgevers voor de nodige financies zorgen. In het nummer van 15 mei 1916 liet Vandermeulen een blik in de achterkeuken van zijn blad toe. Gestart met 70 exemplaren had het tijdschrift bij zijn 8ste nummer al een oplage van 250 exemplaren. Elk nummer kostte hem 15 fr. Van meet af aan kon Vandermeulen rekenen op steun. Al in nummer 4 verscheen er een brief van minister Helleputte, volksvertegenwoordiger voor Maaseik. Vandermeulen zal ongetwijfeld in zijn nopjes zijn geweest met de lof van Helleputte, maar nog meer met de 100 fr. die erbij gevoegd was. Ook van volksvertegenwoordiger Jan Ramaeckers uit Hasselt kreeg hij 25 fr. Andere giften volgden. Dank zij deze bijdragen, dank zij vooral de gulle gift van minister Helleputte, aldus Vandermeulen in nummer 5, zijn de eerste kosten gedekt en is, voor menige nummers, het bestaan van ons blaadje gedekt.

In 1912 was Vandermeulen niet alleen voorzitter geworden van de Breese studentenbond Frisse Heikracht, maar ook gouwvoorzitter van het Algemeen Vlaams Studentenverbond (AKVS). Tijdens de oorlog bleef hij het AKVS-ideaal trouw. Een vrij Vlaanderen in een vrij België, schreef hij in nummer 3 van zijn blad, is onze leuze. Vrij België vooral is nu bedreigd: dat is het eerste doel nu van ons strijden hier in het leger, maar eens Vrij België verzekerd, dan hervatten we de strijd voor Vrij Vlaanderen. Vrij Vlaanderen, zonder Vrij België is onmogelijk. Anderzijds kan Vrij België niet groot zijn zonder Vrij Vlaanderen.

Dat kon voor de legerleiding nog net door de beugel, maar Vandermeulen liet het daar niet bij. In zijn bijdrage van 1 augustus 1916 sneed hij onder de titel Eensgezindheid de euvele thema’s bestuurlijke scheiding en de vernederlandsing van de Gentse universiteit aan. Wat deze thema’s betreft wilde Vandermeulen zich niet aan definitieve uitspraken wagen. We trachten onze mening te vormen, maar niet zo dat wij de mogelijkheid van een andere mening, van een ander oordeel uitsluiten. Op 25 september 1916 werd de toon scherper. Of de Vlaamse hogeschool nu vervlaamst wordt of niet, of ze lukt of mislukt gedurende de oorlog, zeker is het dat ze er na de oorlog komt. Niet in Antwerpen, geen tweetalige universiteit in Gent, maar een uitsluitend Nederlandstalige universiteit in Gent.

Op 15 februari 1917 was de maat voor de legerleiding bijna vol. Toen becommentarieerde Vandermeulen de tweedracht onder de Vlamingen in Nederland. René de Clercq, leraar aan de Belgische school in Amsterdam en hoofdredacteur De Vlaamse Stem werd ontslagen als leraar omdat hij weigerde ontslag te nemen uit het blad dat mede vanuit Duitsland gefinancierd werd. Vandermeulen noemde dit een onhandige maatregel. Over de wenselijkheid van een bestuurlijke scheiding mag, en is het nuttig dat er wordt nagedacht, schreef hij. Maar op een ernstige, niet op een overhaaste wijze. Voor de legerleiding was dit een regelrechte provocatie. En de patriottenemmer liep helemaal over toen op 1 april 1917 een artikel over de raad van Vlaanderen verscheen. Vandermeulen betreurde het dat Vlamingen die raad in Duitsland gingen bepleiten. Wat Duitsland het land, ook Vlaanderen, heeft aangedaan kunnen we niet vergeten, aldus Vandermeulen. Maar van de andere kant sloeg hij spijkers met koppen. Mocht een bestuurlijke scheiding niet verenigbaar zijn met het Belgische belang, maar zou ze de enige redding voor Vlaanderen betekenen, dan moest die scheiding er komen. We zijn eerst Vlaming en dan Belg, aldus Vandermeulen. Vlaming zijn we door de natuur en van Gods wege, Belg zijn we enkel door een politiek verband.

In het nummer van 1 mei 1917 verscheen nog een artikel van Filip de Pillecyn waarin er met zeer veel reserves over de Raad van Vlaanderen geschreven werd. Wellicht een poging om het Limburgs Studentenblaadje nog te redden? Dan kwam die poging in elk geval te laat. Het meinummer was het laatste nummer van het Limburgs Studentenblaadje.

Einde van een blad, maar het begin van een lijdensweg voor Vandermeulen. In een dagorde aan het leger van 27 augustus, getekend door minister van Oorlog Armand de Ceuninck, werd Vandermeulen afgezet als adjunct-aalmoezenier en als ziekendrager naar de tuchtcompagnie op het eiland Cézembre verbannen. Die dagorde werd uiteraard origineel in het Frans geschreven en de vertaling was een typisch Belgisch klungelwerk. Abbé Vandermeulen werd daar niet vertaald met Eerwaarde Heer, toen de gebruikelijke aanspreektitel voor priesters, maar door…abt Vandermeulen. Bovendien waarschuwde de minister voor ziekelijke hitzingen om respect voor het Nederlands af te dwingen.

Vandermeulen was niet alleen de drijvende kracht achter het Limburgs Studentenblaadje. Studenten, schreef hij in het nummer van 25 september 1916, willen hulde brengen aan hun dikwijls vergeten makkers die op het veld van eer gevallen zijn. Er is een werk opgericht om de graven van onze gesneuvelde medebroeders te versieren met een heldenhuldezerkje. Bescheiden verzweeg Vandermeulen dat hijzelf de initiatiefnemer was. Een heldenhuldezerkje kostte … 30 fr, een marmeren gedenkplaat op een bestaande zerk 12.

Bij zijn terugkeer in 1919 naar het bevrijde land circuleerden er inschrijvingslijsten om Vandermeulen een geschenk aan te bieden. Dat werd een zilveren kelk versierd met een gouden leeuwtje. Als collegeleraar en als professor filosofie bleef Vandermeulen het AKVS na de oorlog een warm hart toedragen. Met veel pijn in het hart moest hij in 1928 op bevel van zijn bisschop meewerken aan de oprichting van de KSA. In 1931 organiseerde hij nog de Studentenbedevaart naar Rome van het jeugdverbond voor Katholieke Actie waartoe de KSA behoorde. Een pijnlijke bedevaart. Paus Pius XI ontving de Vlaamse studenten wel, maar weigerde hun vlag te wijden en negeerde de kelk die ze als geschenk hadden meegebracht. In strenge woorden verweet hij de Vlaamse studenten hun ongehoorzaamheid aan hun bisschoppen. Een jaar later koos de ontgoochelde Vandermeulen voor het kloosterleven. Hij werd trappist in de abdij van Achel.

In 1953 kwam Vandermeulen ongewild nog even in de publiciteit. Hij droeg de mis op tijdens de 26ste IJzerbedevaart. Op het altaar de zilveren kelk met gouden leeuwtje van 1919. Tijdens de bedevaart scandeerden jongeren slogans tegen de CVP en voor amnestie. Dat was voor alles wat Belgisch was een schandaal. Op 25 oktober organiseerde de Waal Jean Fosty, later een van de steunpilaren van het FDF, met zijn Comite d’Appel au Pays een zogenaamde herstelbedevaart naar Diksmuide. Wat aan Vlaamse zijde weer aanleiding gaf tot een felle anti-Fostymeeting in Antwerpen. Ook die anti-meeting zorgde weer voor een anti-anti-Fostymeeting onder leiding van de socialistische voorman Jef van Eynde. Zelfs in het parlement kwam Vandermeulen ter sprake. In een interpellatie van 22 oktober 1953 betreurde Maurice Herman, CVP-kamerlid voor Ronse, het feit dat de mis tijdens de bedevaart werd opgedragen door een kloosterling wiens gedrag op het front niet onder ieder opzicht voorbeeldig was geweest. Later verontschuldigde Herman zich schriftelijk bij Vandermeulen voor dit woordgebruik.

Jan Veestraeten