Richtlijn Europese Unie schiet tekort

Wapendecreet moet van Vlaanderen voorbeeldland maken

Het Vlaamse decreet over de wapenhandel zit in de laatste rechte lijn. Momenteel werkt het Vlaams Vredesinstituut (VVI) aan een advies over het voorontwerp. Hierin heeft ook VOS een stem dankzij algemeen voorzitter Philippe Haeyaert, lid van de raad van bestuur van het VVI. Het laatste woord is echter aan het Vlaams Parlement. Dat moet binnenkort kleur bekennen. Met een strenge regeling kan Vlaanderen in Europa de rol van vredespionier opnemen. Maar ook dan is er nog een lange weg te gaan.


Libische rebel zwaait met buitgemaakt FN-wapen

Sinds 1993 bestaat er in de Europese Unie een vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen. De militaire goederen waren de spreekwoordelijke uitzondering op de regel. Omwille van hun nationale veiligheidsbelangen waren de lidstaten niet happig om dit marktsegment te liberaliseren. Maar de kogel is door de kerk. Na enkele mislukte pogingen lanceerde de Europese Commissie einde 2007 nieuwe voorstellen, ditmaal met succes. Weliswaar blijft de handel met landen buiten de Unie een bevoegdheid van de lidstaten. Maar binnen de EU-grenzen wordt het vrij verkeer van goederen ook van toepassing op militair materiaal.

Einde juni moeten de lidstaten een Europese richtlijn ter zake in hun nationale wetgeving omzetten. Omdat de wapenhandel in België geregionaliseerd is rust die verantwoordelijkheid op de gewesten, dus ook op Vlaanderen. De klok tikt. Het voorontwerp van decreet werd uitgewerkt op het kabinet van Vlaams minister-president Kris Peeters en op vraag van Vlaams Parlementsvoorzitter Jan Peumans voor advies voorgelegd aan het Vlaams Vredesinstituut. Einde juni moet het Vlaams Parlement de knoop doorhakken. De parlementsleden hebben een historische kans om strenge criteria op te leggen en Vlaanderen internationaal te profileren als vredesregio.

Vereisten

De eerste uitdaging bestaat er in de federale wet van 1991 niet af te zwakken, maar te versterken. De wet biedt een goed uitgangspunt. Dat blijkt uit de transparantieregeling van de huidige wet. Die voorziet in een regelmatige verslaggeving van de regering aan het parlement. Met een jaarlijks verslag over de toepassing van de wet, en een halfjaarlijks verslag over de verstrekte en de geweigerde vergunningen. Na de regionalisering van de wapenhandel in 2003 zorgde Vlaanderen voor een bijkomend instrument, het jaarlijkse rapport over de Vlaamse buitenlandse wapenhandel. Dit rapport is het werk van het VVI, dat einde maart al zijn rapport 2010 publiceerde. De huidige transparantie moet in het decreet zeker worden bevestigd. Zonder die transparantie is een controle die naam waard immers uitgesloten. Het decreet kan zelfs voor nog meer openheid zorgen door de invoering van een notificatieverplichting bij doorvoer. Die doorvoer wordt vooralsnog nogal losjes ingevuld. Materiaal wordt niet geregistreerd als het niet wordt overgeslagen op een ander transportmiddel. Die leemte kan het decreet opvullen.

Van prioritair belang zijn ook ruime controlemogelijkheden op het eindgebruik. De identiteit van de eindgebruiker moet worden opgenomen als criterium voor het al dan niet toekennen van een vergunning. Waterdicht zal dit systeem nooit zijn. Door de vrijmaking van de EU-markt is het schier onmogelijk om Vlaamse voorwaarden bij wederuitvoer naar derde landen op te nemen. Hier is niet Vlaanderen, maar Europa in gebreke gebleven. Het liberaliseert de wapenhandel binnen de EU, maar laat de handel met derde landen onder de nationale wetgevingen. Toch staat Vlaanderen hier niet helemaal machteloos. Het kan zich in zijn beslissing om een vergunning toe te kennen laten leiden door de regeling van deze lidstaat tegenover niet-lidstaten. Het is bemoedigend dat Vlaamse politici in deze op Belgisch niveau al hun verantwoordelijkheid hebben opgenomen. Precies de Vlaamse kritiek op de Waalse wapenleveringen aan Nepal in 2002 was de aanleiding tot de Franstalige eis om de wapenhandel te regionaliseren.

Een probleem stelt zich ook als de goederen worden geleverd aan de defensiegerelateerde industrie. Die uitvoer betreft volgens het VVI ruim 2/3 van de Vlaamse wapenexport. Dit bemoeilijkt het Vlaamse controlebeleid. De kans is groot dat dit materiaal, na integratie in grotere wapensystemen, door de buitenlandse klanten opnieuw wordt uitgevoerd. Om dit risico in te perken moet een al bestaande clausule worden behouden. Die clausule vergt een vergunning voor elk exportproduct bestemd voor militair gebruik, dus ook voor goederen vatbaar voor dubbel – burgerlijk en militair – gebruik zoals beeldschermen. Die producten worden opgesomd in regelmatig aangepaste lijsten. Nadeel van die lijsten is niet alleen dat de laatste technologische snufjes dikwijls niet zijn opgenomen. Voor de industrie werkt het bestaan van verschillende lijsten bovendien de verwarring in de hand. De bestaande clausule biedt tot op zekere hoogte een uitweg, al lost ze niet alle problemen op. Problematisch blijft bijvoorbeeld dat sommige chemische producten op zich wel ongevaarlijk zijn, maar niet in verbindingen met andere stoffen.

Bij de opgave van de uiteindelijke eindgebruiker zijn de controlemogelijkheden groot. De uitvoervergunningen moeten rekening houden met de mensenrechtensituatie in het land van bestemming en de stabiliteit van de regio. Die piste werd gevolgd in de wet van 1991, maar verlaten toen de wet in 2003 werd geamendeerd. Toen werd het causaliteitsprincipe ingevoerd, waarbij een vergunning wordt geweigerd wanneer er voldoende aanwijzingen zijn dat de uitvoer van specifieke wapens bijdraagt tot de schending van de mensenrechten. Die bewijslast blijkt in de praktijk onoverkomelijk. Daarom moet het causaliteitsprincipe in het decreet worden afgevoerd en moet er terug worden aangesloten bij de wet van 1991. Met de algemene situatie in het land van eindgebruik als criterium.

VOS pleit voor een streng decreet. Maar het is zich er ook van bewust dat dit maar een eerste stap in de goede richting is. Verontrustend is dat de Vlaamse wapenuitvoer de laatste jaren significant toeneemt. In 2010 vertegenwoordigde hij €320,5 miljoen, 13,5% meer dan in 2009. Vooral het waardeaandeel van de exportlicenties voor militaire elektronica steeg drastisch, van €3,9 miljoen in 2009 tot €88,3 miljoen in 2010. Ook de exportlicenties voor militair oefenmateriaal piekten. Dat de export grotendeels – voor 93% – is bestemd voor de buitenlandse defensiegerelateerde industrie, is een constante. Maar ze is niet zonder gevaar omdat dit de identificatie van de eindgebruiker bemoeilijkt.

Het breder plaatje

Niet alleen de Vlaamse wapenindustrie beleeft gouden tijden. Uit analyses van Sipri, het in Stockholm gevestigde internationaal instituut dat onderzoek verricht naar bewapening, blijkt dat de wereldwijde militaire uitgaven tussen 2000 en 2009 met ongeveer 50% zijn toegenomen tot ruim 1.500 miljard dollar. Dit stemt overeen met 2,7% van het globale binnenlands product. Afgetekende koploper zijn de Verenigde Staten met 661 miljard, 43% van het totaal. Vredesduif Obama heeft de almaar stijgende uitgaven niet gekeerd. De andere landen volgen op afstand. China neemt als tweede 6,6%, voor zijn rekening, Frankrijk als derde 4,2%. De top 10 wordt vervolledigd met 3 EU-lidstaten – Engeland, Duitsland en Italië. Ook in de verkoop van wapens spannen de VS de kroon. In 2009 verkochten de Amerikanen voor 230 miljard dollar aan wapens, West-Europa voor 122 miljard. Het is niet anders in de wapenproductie. Bovenaan het lijstje van de uitvoerders van de grote conventionele wapens prijken de VS en Rusland met aandelen van 30% respectievelijk 23%, gevolgd door 3 EU-lidstaten: Duitsland (11%), Frankrijk (8%) en het Verenigd Koninkrijk (4%). De financieel-economische belangen van deze lidstaten in de wapenproductie en -handel doen het ergste vrezen voor een strenger Europees beleid in de materie.

Al te vaak worden wapens nog behandeld als andere goederen en benaderd met economische maatstaven. Ook de Europese Unie is in dit bedje ziek. Want de Europese richtlijn beperkt zich tot de liberalisering en de harmonisering van de wapenhandel binnen de Unie, zonder die binnen zijn context te plaatsen. De winsten van wapenproducenten en -handelaars steken nochtans schril af tegen hun maatschappelijke kost, menselijk en materieel. Investeringen in wapens brengen een conflictueuze dynamiek op gang en gaan ten koste van broodnodige investeringen inzake conflictpreventie en duurzame ontwikkeling. Vlaanderen is niet bij machte het tij alleen te keren. Maar het kan wel het goede voorbeeld geven, door spontaan zowel zijn wapenproductie als wapenhandel af te bouwen en de wapenindustrie – financieel en technologisch – aan te sporen tot innovatie en reconversie. Die overschakeling naar een civiele productie kan meteen ook de werkgelegenheid vrijwaren.

Guy Leemans