Roofbouw op het leger

En De Crem bespaarde voort

André Flahaut, en andere Waalse, socialistische kameraden hebben het bruin gebakken op Defensie. Bezuinigen, specialiseren, verkleinen en een internationale samenwerking is de boodschap. Maar die valt niet overal in goede aarde. Voor formateur Elio di Rupo een harde noot om kraken.

Raar maar waar. Onze jongens in het leger werken hard. Zo hard dat ze onder het werk bezwijken, voor een soldaat een sneue dood. Die hoort te sneuvelen op wat ze het veld van eer noemen. Vandaag stikken de vaderlandse militairen echter…in het werk. Wat ze allemaal uitspoken binnen de muren van hun kazernes is voor simpele burgermensen een bijzonder groot raadsel, en ook de militairen blijken niet in staat om hier klare wijn te schenken. Of kunnen ze dat niet?

Het oppercommando van onze dappere strijdmacht beperkt zich in elk geval tot één enkel cijfer. De soldeniers van dierbaar België hebben tot dusver 185.000 overuren bij elkaar gezwoegd. Het leger, titelt de kwaliteitskrant (sic) De Standaard hierbij, kreunt onder de overuren. Eigenlijk moet het heten onderofficieren en vrijwilligers kreunen onder het werk, want de overuren van het officierenkorps zijn niet eens begrepen in deze 185.000 uren.

Natuurlijk zijn er ook in ons roemrijk leger overlevers, manschappen die de dag bij voorkeur op of onder hun legerstede doorbrengen. Maar die kleine smet op het legerblazoen wordt gelukkig uitgewist door de noeste militaire arbeid van de rest. Sommige soldaten, aldus een uitgelekte legerinventaris, zouden al meer dan 1.000 overuren in hun ransel meesleuren. Omgerekend naar een normale arbeidsduur in niet-oorlogstijd zouden ze dus zowat 150 dagen gezellig thuis kunnen blijven.

De voor de hand liggende oplossing is natuurlijk dit overwerk gewoon uit te betalen. Dat zou de natie, heeft de legerleiding becijfert – uiteraard in overuren omdat ze werk zat hebben – maar een slordige €3 miljoen kosten. Als er voor dit alternatief gekozen zou worden dan zou dat de dapperste en meest noeste pajotten – afgeleid van het Franse paillot of strozak – een niet onaardig zakgeld van € 15.000 opleveren. Merkwaardig genoeg voelen de doorsnee piotten – van het Franse piote of iemand die niet veel mans is – weinig voor dit alternatief. Wijzen ze de poen af uit pure vaderlandsliefde, of omdat ze meer in het zwarte circuit kunnen bijverdienen als ze 150 dagen vrij van dienst zijn?

Een oplossing blijkt er niet te zijn. De geklopte overuren uitbetalen gaat niet, want het leger zit al lang op droog zaad. En ze compenseren door het toekennen van extra rustdagen is evenmin een oplossing. Omdat de gardisten die dan als Chinese vrijwilligers in de kazerne moeten blijven nog harder moeten presteren en er per slot van rekening nog meer overuren uit de bus komen dan het nu al het geval is.

Overigens is de vraag terecht aan wat al die overuren gepresteerd worden. Het hardst wordt er in Kleine Brogel gewerkt, waar er kernbommen – het kroonjuweel van elk leger – klaar liggen om het vaderland in uiterste nood te verdedigen. Die moeten de klok rond bewaakt worden. En dan, klaagt de legerleiding, heb je nog de talloze pacifisten en bomspotters die ons noodzaken om extra manschappen in te zetten. Zou het niet simpel zijn dit kernspul terug naar Amerika te sturen? Dan vallen alvast deze overuren weg.

De legerleiding wordt er regelrecht hoorndol van. De meest rabiate sabelslepers dromen heimelijk van een derde weg, het aanwerven van een slordig aantal bataljons vers kanonnenvlees. Bij nader toezien blijkt zelfs dat geen valabel alternatief te zijn. Hoe dapper ook, het edele land der Belgen, moet zich al bijna 70 jaar niet meer verdedigen tegen belendende belagers, en zal dat naar alle waarschijnlijkheid nooit meer moeten doen. Een oorlog met Engeland, Frankrijk, Nederland, ja zelfs met Duitsland, is gelukkig maar finaal uitgesloten. En de kans dat we de wapens moeten opnemen tegen bijvoorbeeld Rusland is ook behoorlijk klein.

De militaire actieradius heeft zich verlegd naar andere continenten, al is ook daar het Belgische engagement niet bijster groot. Zowat 1.000 militairen verdedigen momenteel onze vrijheid in verre landen. Dat kunnen ze maar doen als ze vanuit hun thuisbasis de nodige begeleiding en nazorg genieten. Aldus een militaire wijsheid waarvoor de Navo zowaar een vuistregel heeft uitgevonden. Voor elke soldaat in de vuurlinie moeten er op het thuisfront 7 manschappen een pas op de plaats maken. Dat maakt een leger van zegge en schrijve 8.000 man: 1.000 op verre fronten, 7.000 in de nestveilige thuisbasis.

Een leger van amper 8.000 man? Zelfs voor de minst fanatieke ijzervreters is dat een dolksteek. Moment, zeggen ze. Onze troepen in het buitenland komen door de bank genomen na 4 maanden terug naar huis, er wordt met andere woorden 3 keer per jaar gewisseld. En dus heb je een leger nodig van 24.000 mensen nodig. Het is een redenering die moeilijk te begrijpen is voor iemand die er een burgerlijke rekenkunde op nahoudt. Wat doen de 7.000 soldaten op de thuisbasis eigenlijk als de 1.000 strijders, waarvoor ze zich in het zweet werken, na 4 maanden terugkeren? Gaan ze dan ook op hun lauweren rusten? Of kunnen ze niet de zorg opnemen voor het tweede detachement van 1.000 man dat op zijn beurt ten strijde trekt?

Laten we even aannemen dat de legertop gelijk heeft en dat je voor 1.000 manschappen in het buitenland een leger van 24.000 soldaten nodig hebt. Zelfs dan zal er flink gesnoeid moeten worden, want het roemrijke Belgische leger heeft nog altijd 34.000 man onder de wapens. Dus 10.000 soldaten op overschot. Dat is de kern van het verhaal, maar wie durft het aan deze waarheid te verkondigen?
Traditioneel wordt aangenomen dat anti-militaristen vooral in het linkse kamp te vinden zijn. Maar wat wil het toeval? Slechts 2 defensieministers hebben hier spijkers met koppen geslagen. In de jaren 1990 maakte de christendemocratische defensieminister Leo Delcroix in één pennentrek komaf met de vaderlandse dienstplicht. Zogenaamde experten, waaronder zijn toenmalige partijgenoot Johan Vanhecke, waarschuwden dat dit een operatie was die vele jaren zou vergen. Delcroix klaarde de klus op enkele maanden en zorgde ervoor dat er van de zowat 80.000 soldaten van toen maar de helft overbleef. De tweede defensieminister met haar op de tanden is … Pieter de Crem die zich niet schuwt de waarheid te vertellen. Toevallig worden zowel Delcroix als De Crem steevast afgeschilderd als oerconservatief en worden ze door het progressieve Vlaanderen permanent met emmers hoon overgoten. Terwijl de anti-militaristen eigenlijk de grote fans van beiden moesten zijn.

De Crem heeft, anders dan zijn veelal Franstalige voorgangers, goed begrepen wat er aan de hand is. De wereld heeft geen nood meer aan legers zoals die in de 19de en 20ste eeuw bestonden. Menig pacifist droomt van een wereld zonder legers, ongetwijfeld een legitieme droom. Maar helaas zal het nog héél lang duren voor deze droom gerealiseerd kan worden. Voorlopig blijft een leger dus een noodzakelijk kwaad. Maar het moet wel anders worden. Vandaag moet een leger mobieler zijn, moet het over andere middelen beschikken. Bovendien is samenwerken in EU of in Navo-verband de boodschap. Niet toevallig was het Leo Delcroix die samen met zijn Duitse en Franse collega’s een Eurocorps in het leven riep.

Terecht stelt Guy Tegenbosch in De Standaard dat we weer een echt leger hebben sinds De Crem het departement leidt. Onder zijn voorganger André Flahaut was het leger een louter tewerkstellingsproject dat zich bezig hield met het aanleggen van motorcrosscircuitjes in Waals-Brabant, toevallig de bakermat van Flahaut. De Crem, aldus Tegenbosch, heeft het leger verkleind, gerationaliseerd, ten dele gespecialiseerd en het weer op het terrein gestuurd voor dingen waar het ook voor dient.

Dit alles zint de legerleiding duidelijk niet. Die klaagt niet alleen over kreunende overuren, maar wil almaar nieuwe wapens, dus meer geld. De voorgangers van De Crem waren hier overigens erg gul mee. Het leger beschikt over een jaarbudget van €2,75 miljard, waarvan bijna driekwart naar personeelskosten gaat. Geld voor investeringen was er dus nauwelijks of niet. Maar geen nood. Defensie deed wat de Belgische staat voordeed. De ene put met de andere delven, schulden maken bij de vleet. Toen De Crem Flahaut als defensieminister opvolgde zat het leger aan te kijken tegen een schuldenput van maar liefst €2 miljard. De schulden waren met andere woorden nauwelijks kleiner dan het totale budget waarover het leger kan beschikken.

Intussen heeft De Crem een flink stuk van deze poef weggewerkt door zwaar te besparen. Dat moet de komende jaren nog gebeuren. Een kleine 3 miljoen om echte of kunstmatig tot stand gekomen overuren te betalen? De Crem zegt dat hij daar geen geld voor heeft. Integendeel, hij wil opnieuw 35 miljoen besparen op het budget. Voor de legerleiding is dit een ramp. De Crem, aldus stafchef Charles-Henri Delcour, maakt het leger totaal ongeloofwaardig. Een nieuwe besparingsronde van €35 miljoen, het sterk dalende personeelsaantal en uitblijvende investeringskredieten leiden tot een desastreuze cocktail bij defensie. De Crem, zegt de legertop, pleegt een regelrechte roofbouw op defensie.

Gelukkig gaat De Crem, onverstoord als altijd, zijn weg. Als een leger noodzakelijk blijft, dan zal dat in elk geval het leger van De Crem moeten zijn, niet het miljarden verslindende paradeleger waarmee Flahaut en andere Waalse ministers ons hebben opgezadeld. Het zou bijgevolg een goede zaak zijn als Pieter de Crem… de volgende minister van Defensie wordt.

Jan Veestraeten