De weerslag van de Eerste Wereldoorlog op de Vlaamse beweging

Ondanks de herdenkingsrage rond 1914-18 blijft de impact van de Eerste Wereldoorlog op de Vlaamse beweging onderbelicht. Ten onrechte. Prof. em. dr. Frans-Jos Verdoodt, hoofdredacteur van Wetenschappelijke Tijdingen en lid van de Algemene Vergadering van VOS, bood soelaas op een colloquium in het Vredescentrum van Antwerpen op 14 november 2015. Omwille van het belang van deze lezing volgt hieronder de integrale tekst.

Een historisch keerpunt

Historici zijn het er in het algemeen over eens dat de Eerste Wereldoorlog een belangrijk, zo mogelijk het belangrijkste keerpunt heeft gevormd in de moderne of hedendaagse geschiedenis van Europa. Die omvangrijke oorlog was de eerste in de wereldgeschiedenis die werd gevoerd met schier onuitputtelijke economische en technologische middelen. Daarenboven zal hij in ons historisch geheugen verankerd blijven als ‘de groote oorlog’, wat een feitelijke metafoor is voor de akelige omvang van de gruwel, het aantal slagvelden, het aantal doden en gewonden, het aantal ruïnes en vernielingen.

Frans-Jos Verdoodt
Prof. em. dr. Frans-Jos Verdoodt

Het is uiteraard onmogelijk om in dit korte bestek de economische, militaire, geopolitieke, culturele, maatschappelijke en mentale aspecten van dat aanzienlijke keerpunt te beschrijven in de breedste zin van hun betekenis. Wij moeten ons dus noodzakelijkerwijze beperken tot de aspecten die gerelateerd zijn aan de toestand(en) in Vlaanderen-België. Wij behandelen daarom hierna een vijftal aspecten die  o.i. beantwoorden aan dat criterium:

1. De gewijzigde grenzen, de gewijzigde geopolitieke verhoudingen en de daaruit voortvloeiende wijzigingen in de machtsverhoudingen, de bondgenootschappen en de invloedsferen in Europa.

De geldingsdrang van de overwinnaars (inzonderheid België, Frankrijk en Italië), verhevigde de frustraties vanwege de verliezers (inzonderheid Duitsland en de Donau-monarchie). De verliezende landen waren de enigen die moesten ontwapenen. Duitsland, dat aan de vredesbesprekingen in Versailles (1919) niet had mogen deelnemen, moest uitgebreide oorlogsschulden betalen aan België (en aan andere landen), verloor grondgebied aan België, Denemarken, Frankrijk, Litouwen, Polen en Tsjecho-Slowakije. Duitsland verloor tenslotte ook al zijn kolonies en moest een bezetting van het Ruhrgebied door de Franse troepen aanvaarden.

De uitgesproken zwaarte van de bestraffing en het feit dat de overwinnaars van de oorlog geen steun verleenden aan de politici die Duitsland democratisch wilden heropbouwen, zorgde in Duitsland voor vernedering, ontreddering en wrok (het Verdrag van Versailles als het Diktat van Versailles). De gevolgen van die malaise zouden grote delen van Europa beïnvloeden en mede de basis leggen voor een nieuwe wereldoorlog, waarin België/Vlaanderen alweer in het geding zou komen, niet het minst de Vlaamse beweging.

Het feit dat België zich aan de zijde van de overwinnaars bevond en via het verwerven van Duits grondgebied en Duitse herstelbetalingen werd gecompenseerd voor de gevolgen van Duitse overrompeling en de schending van zijn neutraliteit, bezorgde een sterke boost aan het Belgisch nationalisme.

Gekoppeld aan het feit dat heel wat flaminganten hadden meegewerkt met de Duitse bezetter (activisme), leidde tot een impulsief Belgisch patriottisme en van de weeromstuit tot een versterkte afwijzing van de traditionele Vlaamse grieven en eisen.

2. De rol van de Amerikaanse president Woodrow Wilson.

Wilson ondernam in januari 1918, via het lanceren van zijn bekend Veertien-puntenplan,  een poging om de wereldoorlog te beëindigen. Eén onder die veertien punten had betrekking op het zelfbeschikkingsrecht van alle volkeren in Europa en in de wereld.

De onderhandelaars in Versailles waren niet onder de indruk van het activistisch pleidooi voor Vlaamse zelfstandigheid in Pro Flandria Servanda. (ADVN, VB 2298)

Ofschoon de VSA enerzijds en Frankrijk en Groot-Brittannië anderzijds niet in samenspraak handelden, vormden Wilsons plannen toch tot de uitgangspunten van de vredesgesprekken in Versailles. Omdat de Amerikaanse president het zelfbeschikkingsrecht van alle volkeren had vooropgesteld, boden de (naar Nederland gevluchte) activisten in Versailles hun Pro Flandria Servanda aan, een document waarin het recht van Vlaanderen op zelfstandigheid werd gesteld, toegelicht en gestaafd. Door dit document, dat tot geen positief resultaat leidde, wilden de activisten het feit legitimeren dat zij in 1918 de onafhankelijkheid van Vlaanderen hadden uitgeroepen.

Een en ander versterkte het ontluikende Vlaams-nationalisme, dat een uitloper was van de feitelijke synergie die in de periode 1918-1919 was gegroeid tussen de Frontbeweging (of frontisme) en het activisme. Dat feit werd de emanatie van de ‘kleine Vlaamse natie’, die haar plaats wilde opeisen in Europa en die Woodrow Wilson dus wilde nemen op zijn woord. De ‘idealistische’ Wilson was niet opgewassen tegen de ‘stevige’ Franse en de Britse onderhandelaars noch tegen de afwijzing van zijn voorstellen in zijn eigen thuisland.

3. De integratie van de socialistische partijen in diverse regeringen in Europa die in België
samenviel met het einde van dertig jaar absolute meerderheid van de katholieke partij in het parlement.

In België werd nu de tweevoudige politieke en sociaal-culturele dualiteit (katholiek-liberaal en klerikaal-antiklerikaal) doorbroken. Die breuklijn had gedurende vele decennia het openbare leven beheerst, maar na de Eerste Wereldoorlog ontstond er ruimte voor een spectrum van vier politieke families: katholieken, liberalen, socialisten en Vlaams-nationalisten. Tegelijk konden de werklieden- en zelfstandigensyndicaten en de eerste verregaande sociale wetten zich ontwikkelen. Die evolutie leidde tot de vorming van drie zuilgebonden gemeenschappen: de katholieke, de liberale en de socialistische. De Vlaams-nationalisten bouwden nadien hun eigen, vierde zuil op de grondvesten van de daensistische beweging, die als gevolg van de Eerste Wereldoorlog was verdwenen uit het parlement, maar in sommige regio’s haar sterke sociaaleconomische uitbouw had behouden.

4. De weerslag van de revoluties in Rusland en Ierland.

Die gebeurtenissen beroerden de Vlaamsgezinde soldaten die zich in de positie van de underdogs bevonden en daarenboven de malaise ervoeren van een stellingenoorlog waar maar geen einde bleek aan te komen. Het gevolg was dat de geradicaliseerde groepen binnen of aan de rand van Frontbeweging een pamfletten-guerrilla inzetten en uitpakten met de Open Brieven aan de koning, aan de aartsbisschop en aan de paus.

Op het einde van de oorlog werd zelfs opgeroepen tot het oprichten van een radenrepubliek naar Russisch model. Er werd tevens geageerd voor het neerleggen van de wapens en voor het (vanuit de etappestad Gent) uitroepen van de Vlaamse republiek. Maar toen de oorlog dan eindelijk voorbij was, trokken de soldaten als het ware Gent voorbij met slecht één doel: zo snel mogelijk thuiskomen, zo snel mogelijk de oorlog vergeten.

Uit een en ander werd het Nooit meer Oorlog geboren, de leuze die later in vier talen zou prijken aan de IJzertoren in Diksmuide en mede gestalte gaf aan de pacifistische gedachtegoed binnen de Vlaamse beweging.

5. Het antiburgerlijke klimaat.

In het psychologisch sterk beladen klimaat van de vroege jaren twintig (van vorige eeuw) contesteerden de jongere generaties op felle wijze de politieke, culturele en economische burgerelites. In hun perceptie hadden die elites, via hun vredesconferenties en vredespaleizen, slechts lippendienst bewezen aan het pacifisme, maar in feite hadden zij deze oorlog hadden gewenst en bewust voorbereid en daardoor een eeuw van beschaving en ontwikkeling verkwanseld. De anti-beweging die uitging van die stelling, evolueerde vrij spoedig in twee bepalende richtingen:

– enerzijds de links-reformistische strekking, waarin zich diverse kernen ontwikkelden (marxistisch-links, sociaaldemocratie, christelijk pacifisme, vrijzinnig pacifisme…);

– anderzijds de rechts-antidemocratische en anti-parlementaire strekking. De Vlaamse beweging laafde zich aanvankelijk aan beide strekkingen, maar tegen het einde van het interbellum werd zij bijna volkomen overheerst door de tweede strekking.

Wat in de Vlaamse beweging voorafging aan het grote keerpunt

Het is uiteraard niet mogelijk om in dit essay een allesomvattend overzicht te bieden van de gehele geschiedenis van de Vlaamse beweging tijdens de negentiende eeuw en tijdens het begin van de twintigste eeuw. Wij beperken ons daarom tot enkele m.i. relevante vaststellingen. Wij vermelden er een vijftal, die wij als de belangrijkste kunnen beschouwen.

1. Er weerklonk geen luide roep om een eigen, Vlaamse natie.

August Vermeylen
De socialist August Vermeylen, vooral bekend omwille van zijn uitspraak ‘Om iets te zijn moeten we Vlamingen zijn. Wij willen Vlamingen zijn om Europeeërs te worden’ (ADVN, VFA 9607)

Over een luid klinkende de roep om een eigen Vlaamse natie, binnen de Belgische natie of daarvan afgescheiden, was tijdens vooroorlogse periode nauwelijks sprake. Die toestand wijzigde zich volkomen in de loop van de Eerste Wereldoorlog; men kan zelfs stellen dat die ambitie een product was van de oorlogsvoering en van de bezetting.

Anderzijds bestonden er vóór 1914-1918 wel verdedigers van de Vlaamse zelfstandigheidsidee. Die situeerden zich nauwelijks binnen de katholieke sfeer – waar de volksverbondenheid nochtans traditioneel het diepst was geworteld in de cultuur -, doch hoofdzakelijk in de vrijzinnig-socialistische linkerzijde. Bijvoorbeeld bij César De Paepe, die de onrechtmatige behandeling van de Vlamingen door België toeschreef aan het verdwijnen van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1830. Of bij August Vermeylen, die in zijn Kritiek der Vlaamse beweging (1895) stelde: ‘Vlaanderen voelt de bevolking, België laat hen koud’ – ofschoon hier volledigheidshalve moet worden aan toegevoegd dat Vermeylen tijdens het interbellum de Vlaamse zelfstandigheid afwees, omdat (zo stelde hij) Vlaanderen in dat geval voor een lange periode zou worden overgeleverd aan het klerikalisme. Uit het onderzoek van historicus Maarten Van Ginderachter blijkt overigens dat het Gentse socialisme – hét kerngebied van die beweging in Vlaanderen – omstreeks 1900 Vlaanderen nog beschouwde als de natie waarbinnen de werklieden hun emancipatie zouden kunnen bewerkstellingen, eerder dan binnen de Belgische context. Na de wereldoorlog zou dat evenwel anders worden: in hun perceptie en onder druk van het electoraal sterkere Waalse socialisme, zou België voortaan het emanciperende kader bieden. Ook de aanzuigkracht van het euforisch Belgisch patriottisme zou daar op zijn minst debet aan zijn.

2. De agitatie voor een Vlaamse rijksuniversiteit.

Hét culminatiepunt van de flamingantische actie werd sinds het begin van de twintigste eeuw gevormd door de agitatie voor het bekomen van een Vlaamse rijksuniversiteit in Gent. Via de democratische toegang tot kennis en wetenschap moest die universiteit de hefboom worden voor de sociaaleconomische en culturele ontwikkeling van Vlaanderen. En voor de vorming van de elites die die ontwikkelingen zouden dragen.

Het vervolgverhaal van die ambitie is bekend: in 1916 ontstond, in samenwerking tussen de activisten en de Duitse bezetter, de ‘Vlaamse Hogeschool’, de Von Bissing Universiteit; na de oorlog was de ‘Université de Gand’ helemaal terug, maar reeds in 1930 werd August Vermeylen de eerste rector van de eerste echte Vlaamse rijksuniversiteit in Gent.

3. Het Vlaamse antimilitarisme.

Almanak der Christene Volkspartij
Op deze ‘Almanak der Christene Volkspartij’ figureren rond de foto van paus Leo XIII 24 Daensisten, waaronder Hector Plancquaert. (ADVN, VFA 260)

Wat vandaag vaak wordt beschouwd als de pacifistische traditie van de Vlaamse beweging, vertaalde zich vóór de Eerste Wereldoorlog hoofdzakelijk als een virulent antimilitarisme. Dat antimilitarisme maakte deel uit van de aversie tegenover het Belgische staatsregime, waarin militarisme, godsdienst en regering (in de perceptie van de kleine flamingantische burgerij) gezamenlijk ‘het regime’ vertegenwoordigden en gezamenlijk verantwoordelijk werden geacht voor de achterstelling van de Vlaamse bevolking.

Voor die staat en zijn schuldig geacht regime wilden de flaminganten liever geen officieren leveren. Die onthouding (of obstructie) zou overigens een rol vervullen bij het overwicht van de Franstalige officieren in het Belgisch leger tijdens de Eerste Wereldoorlog.

In die context was het flamingantisch antimilitarisme dus de facto een vorm van anti-belgicisme. Een kenschetsende illustratie werd geboden door de houding van de radicale flamingant en daensistische leider Hector Plancquaert, die in 1897 door de Gentse liberaal (en hoogleraar) Paul Fredericq werd uitgenodigd om in Gent een meeting bij te wonen rondom de hervorming van het leger en van de militaire dienstplicht). Plancquaert wees de uitnodiging van de hand en motiveerde dit als volgt: het leger is ‘een echte broeinest van franschgezinden’, ‘ik ben zeer antimilitaristisch’ en ‘als men mijn Vlaamse nationaliteit niet wil eerbiedigen, dan voel ik weinig neiging om geestdrift te tonen voor de Belgische’. (H.P. aan P. Fredericq, Zomergem, 4 juni 1897, in F.J. Verdoodt, Het daensisme in het arrondissement Aalst, Dendermonde, 1973, blz. 104).

4. De nefast geachte dominantie van de katholieke overheden en de katholieke clerus.

Niet alleen in liberaal-vrijzinnige middens, maar ook bij een bepaalde christelijk-sociale kleine burgerij leefde de overtuiging dat de geestelijke en materiële inferioriteit van de meerderheid van de bevolking in Vlaanderen werden veroorzaakt door de decennialange dominantie van de katholieke overheden en de katholieke clerus die, waar mogelijk, de restauratie van het Ancien Regime huldigde en de culturele en sociale vooruitgangsideeën bestreed.

Die fractie van de kleine burgerij, die vaak tegelijk Vlaamsgezind was, legde de basis voor de radicale vorm van christendemocratie of bewoog zich in de rand van de meer gematigde christendemocratie, waaruit na de eerste wereldoorlog de christelijke werkliedenbeweging (ACW) ontstond.

5. De taalwetten als hefboom voor de emancipatie van Vlaanderen.

De idee dat de Vlaamse emancipatie geheel zou worden bereikt via het cumulatief afdwingen van taalwetten was vóór 1914 zeer levendig binnen het katholiek flamingantisme en binnen de Vlaamsgezinde vleugel van het liberalisme. De latere, invloedrijke visie-Van Cauwelaert zou daarop worden gebaseerd: omwille van hun numerieke meerderheid kunnen de Vlamingen langs wettelijke weg hun volledige emancipatie bewerkstelligen binnen het Belgisch staatsverband, zij hoeven daarvoor geen nationalisme en geen scheiding van Wallonië.

foto met Frans Van Cauwelaert op de Rodenbach-hulde in 1919
De christendemocratische minimalist Frans Van Cauwelaert links onder priester-dichter Hugo Verriest op de trappen van een gebouw bij de Rodenbach-hulde in Roeselare, 1919. Links van Van Cauwelaert zien we onder meer Cyriel Verschaeve, maximalist. (ADVN, VFAL, 10)

Tijdens de Eerste Wereldoorlog had Frans Van Cauwelaert actief gesympathiseerd met het frontisme, maar tegelijk het activisme afgewezen en bestreden (passivisme).

De eerste ‘Vlaamse’ (taal)wet kwam tot stand in 1873 (strafrecht). In 1878 ontstond de eerste taalwetgeving inzake bestuurszaken, in 1883 volgde het rijksonderwijs, in 1913 het leger. Intussen was in 1898 de Gelijkheidswet ontstaan, die het parlementair werk tweetalig moest maken. Die taalwetten betekenden echter geenszins dat in al de genoemde domeinen de rechten van de Nederlandssprekende meerderheid van België werden gerespecteerd, de tweetaligheid was vaak slechts officieel-theoretisch. Sinds hun ervaringen tijdens de Eerste Wereldoorlog, waren de flaminganten nochtans bereid de reële tweetaligheid te beschouwen als de hoeksteen van België. Onder druk van Wallonië zou het tijdens het interbellum echter anders verlopen: de Waalse en Vlaamse regio’s zouden eentalig worden, vaak ook alweer officieel en theoretisch. De reële eentaligheid zou pas na de Tweede Wereldoorlog een feit worden. De adders onder het gras werden toen de taalfaciliteiten, die voor het eerst werden toegepast op de Duitsprekende bevolking in de Duitse gebieden die België had verworven in het Verdrag van Versailles.

Vlaamse radicalisering en polarisering tijdens de Eerste Wereldoorlog: de scheidingsgedachte wordt een grondstroom

 De Eerste Wereldoorlog bracht de Vlaamse beweging in een opvallende, sterk radicaliserende stroomversnelling: de geboorte van activisme en frontisme. Het activisme speelde in op de Duitse politiek, die België wilde ontmantelen via de steun aan de Vlaamse beweging; dus moesten hier-en-nu enkele basisdoelstellingen van die beweging worden gerealiseerd (een Vlaamse universiteit in Gent, vernederlandsing van het maatschappelijk leven in Vlaanderen). Binnen het activisme ontwikkelden zich twee fundamentele strekkingen: de pragmatisch-unionistische (die met de Belgische staat nog wilde samenwerken) en de radicaal-anti-Belgische (die België wilde zien verdwijnen).

Het frontisme ontstond uit het samenvallen van twee (aan de oorlog gerelateerde) factoren: enerzijds de psychologische ontreddering als gevolg van een stellingenoorlog die zich jarenlang verder sleepte en anderzijds de taalvernedering van Vlaamse soldaten aan het front. Die soldaten waren zich ervan bewust dat zij een oorlogsoffer brachten in dienst van het Belgisch militair belang en dat zij zodoende het inwilligen van de Vlaamse grieven konden eisen als tegenprestatie (‘Hier ons bloed, wanneer ons recht?).

foto vlag van VOS Merksem met daarop o.m. een heldenhuldezerkje met de tekst ‘Hier liggen hun lijken, als zaden in ’t zand. Hoop op den oogst, O Vlaanderland’.
Op de vlag van VOS Merksem prijkt een zelfbewuste, strijdvaardige vrouw met kind naast een heldenhuldezerkje met de tekst ‘Hier liggen hun lijken, als zaden in ’t zand. Hoop op den oogst, O Vlaanderland’. De offercultus rond de Fronters moest jonge Vlamingen aanzetten tot inzet voor Vlaanderen (ADVN, VLL 10)

Het activisme en het frontisme stonden principieel haaks op elkaars: de eerste werkte mee met de bezetter, de tweede bestreed diezelfde bezetter. Maar bij het einde van de oorlog (en het eerste paar jaren na de oorlog) vonden zijn elkaar in een werkbare synergie, nl. die van het Vlaams-nationalisme, dat het vertrouwen in de Belgische natie opzegde.

Na de oorlog zouden noch de Belgische regering en het staatshoofd noch de militaire overheid pogingen ondernemen om de frustraties te ontmijnen die aan de grondslag lagen van het frontisme en het activisme. Het ondergaan van de naoorlogse repressie (tegenover het activisme) en het virulente wantrouwen (tegenover het frontisme), versterkten integendeel het anti-Belgisch ressentiment en verzwakten tegelijk het vertrouwen in de visie-Van Cauwelaert. Maar tegelijk ontwikkelde zich ook de cultus van het idealisme, van het offer en het martelaarschap van de Vlaams frontsoldaten, wiens lijken – naar het epitaaf van Cyriel Verschaeve – ‘als zaden in ’t zand’’ lagen en daardoor de ‘hoop op den oogst o Vlaanderenland’ wettigden.

In die (tegelijk drukkende én verheffende) sfeer ontstonden drie kwalitatief en kwantitatief succesrijke bewegingen:

– De Frontpartij, een Vlaams-nationalistische politieke beweging, waarvan oud-frontsoldaten en oud-activisten de ruggengraat vormden.

– De IJzerbedevaarten, die verder bouwden op de Heldenhulde-acties tijdens de oorlog op de graven van de frontsoldaten, op de nooit-meer-oorlog-verzuchting en op het vertrouwen in een Vlaams risorgimento, dat zich laafde aan het gelovig integralisme en mysticisme (AVV-VVK, Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus). Die leuze was reeds vóór de Eerste Wereldoorlog ontstaan in de katholieke studentenbeweging en kwam versterkt uit de oorlog.

– Het Verbond van Vlaamse Oudstrijders (Verbond VOS), dat in eerste instantie een organisatie voor sociale zelfredzaamheid was, maar meer en meer ideologische standpunten ging innemen (antimilitarisme, pacifisme, Vlaams zelfbestuur).

Doorheen die drie verschijnselen (Frontpartij, IJzerbedevaarten, Verbond VOS) liepen drie rode draden: het fictieve maar werkzame IJzertestament (zelfbestuur, godsvrede, nooit meer oorlog), de politiek-ideologische godsvrede (ideologisch-politieke samenhorigheid over de grenzen van de politieke partijen heen) en het natiebewustzijn.

foto VOS-betoging in Maldegem met spandoeken ‘De Vlaamsche Moeders weigeren hun zonen aan het Fransch-Belgisch militair akkoord’ en ‘Oorlog lost niets
In de jaren 1930 leidde VOS het verzet tegen het geheim Frans-Belgisch Militair Akkoord uit 1920. Op spandoeken van deze betoging in Maldegem, vermoedelijk in 1936, lezen we ‘De Vlaamsche Moeders weigeren hun zonen aan het Fransch-Belgisch militair akkoord’ en ‘Oorlog lost niets op’. (ADVN, VFA 1104)

De ideologisering drijft de geesten en de organisaties uit elkaar

Het door de Eerste Wereldoorlog bevruchte Vlaamse natiebewustzijn maakte aanvankelijk deel uit van een breed palet van organisaties en drukkingsgroepen ter linker- en ter rechterzijde – cf. de succesrijke Bormsverkiezing van 1928, toen fracties van links én van rechts een massale symbolische stem uitbrachten op de oud-activist August Borms, die vrijwillig in de gevangenis verbleef maar desondanks als dé martelaar werd beschouwd van de Belgische repressie na de Eerste Wereldoorlog. Borms werd volksvertegenwoordiger verkozen, maar het parlement verklaarde die verkiezing ongeldig.

Halfweg het interbellum zouden de versplinterde Vlaams-nationalistische kernen en mini-partijen echter het voortouw nemen om een eengemaakte politieke rechts-nationalistisch partij in het leven te roepen. Die kwam tot stand in 1933 (VNV, Vlaams Nationaal Verbond) en organiseerde en radicaliseerde rechtse flank van de Vlaamse beweging. Enkele afdelingen van de Frontpartij en van de daensistische beweging verzetten zich lage tijd tegen die evolutie, maar zij haalden tenslotte bakzeil. Flamingantisch links was op dat ogenblik verspreid over enkele individuen en enkele (beperkte) groepen: Jef Van Extergem, August Debrouwere, Socialistische Jonge Wacht, Bert Van Hoorick, Louis-Paul Boon, Filip De Pillecyn, Hector Plancquaert.

De pacifistische en antimilitaristische beweging(en) tijdens het interbellum bestond(en) hoofdzakelijke uit kleine kernen binnen alle politieke families. Zij uitte(n) zich langs flamingantische zijde het meest nadrukkelijk via het (door het Verbond van Vlaamse Oud-strijders, Verbond VOS aangestuurde) verzet tegen het geheim Belgisch-Frans Militair akkoord uit 1920. Overigens maakte dat latente verzet vanaf de vroege jaren dertig ook deel uit van het anti-Belgisch én anti-Frans discours van het Vlaams-nationalistische VNV.

Uit alles wat hiervoor werd uiteengezet blijkt dat de geesten in Vlaanderen tijdens het interbellum in bepalende mate werden beïnvloed door de onverwerkte herinneringen aan de Eerste Wereldoorlog, zowel op sociaal-cultureel vlak als op politiek vlak.

Daarenboven leefde onder de Vlaamsgezinden een diepe onvrede over de wijze waarop de Belgische overheden blind waren gebleven voor de oorzaken en aanleidingen voor het tweevoudig radicalisme – activisme en frontisme- van de Vlaamse beweging tijdens de Eerste Wereldoorlog. Blind ook voor het bloedoffer van de Vlaamse soldaten: op die frustratie werd een hele heldensymboliek gebouwd, die een wervende functie bezat in Vlaanderen maar die de Belgische overheden irriteerde en van de weeromstuit de wervende functie van het Vlaamse onbegrepen-zijn verhoogde.

De assertiviteit van de flaminganten nam gestaag toe. Maar intussen dreven velen onder hen stilaan weg democratie en van het burgerlijk reformisme. Na de Tweede wereldoorlog zou daarvoor een hoge prijs worden betaald.

Frans-Jos Verdoodt

Illustraties ADVN: Archief en Documentatiecentrum voor het Vlaams-nationalisme, Antwerpen