Vader Van Aelst tolkte aan de IJzer

Ze gingen de Grote Oorlog in voor het Belgisch vaderland, maar keerden terug als overtuigde Vlamingen. De Vlaamse volksjongens dienden veelal als gewone soldaten, maar ze telden ook onderofficieren als Leo Van Aelst in hun rangen. Als eerste sergeant-tolk stond vader Van Aelst tussen de Vlaamse soldaten en het grotendeels Franstalige officierenkorps. Zoon Joris (83) vertelt over een bewogen leven.

Uit wat voor milieu kwam uw vader?

Zijn vader – mijn grootvader dus – werkte bij de Belgische spoorwegen. Vader groeide op in een groot gezin met niet minder dan 3 broers en 4 zussen. De zusters bleven ongehuwd en woonden samen in de Antwerpse Kerkstraat. Zij speelden een grote rol in het familiale leven, ook dat van mijn vader.

Hoe verdiende hij zijn brood?

Na de Grote Oorlog werkte hij als accountant, tot zijn ontslag in 1930. Vader was mede-eigenaar van het Vlaams Huis in Edegem, waar zijn baas bier leverde. Er is gezegd dat hij werd ontslagen omdat het Vlaams Huis dit bier niet langer afnam. Maar dat was niet de echte reden. Die was van politieke aard. Vader bleef echter niet bij de pakken zitten. Hij startte een fabriekje op waar onder meer zeep werd gemaakt. In de Tweede Wereldoorlog werkte hij voor het Commissariaat voor Prijzen en Lonen. Bij het begin van die oorlog zijn we overigens nog naar Frankrijk gevlucht. Daar heeft mijn vader getolkt tussen de Duitse bezetters en Franse burgers.

Hij sprak dus Frans en Duits?

Ja, hij had talen gehad tijdens zijn studies. Maar hij had vooral een talenknobbel. Hij beheerste niet minder dan 4 talen: naast zijn moedertaal, Frans en Duits ook Engels. Die meertaligheid was toen een grote troef.

Hoe kwam hij aan het IJzerfront terecht?

Destijds werd geloot, waarbij het lot besliste of iemand al dan niet soldaat moest worden. Maar er waren uitwegen. Jongens uit gegoede families konden hun dienstplicht afkopen. Of iemand anders kon in de loteling zijn plaats gaan. Volgens een neef van mijn vader heeft mijn grootvader mijn vader bij het uitbreken van de oorlog begin augustus 1914 aangeboden om in zijn plaats dienst te nemen, omdat mijn overgrootvader indertijd de loting van mijn grootvader had afgekocht en mijn grootvader zich daardoor ‘bezwaard’ voelde. Mijn vader heeft dat aanbod afgewezen en is zelf gegaan.

Zijn talenkennis werd opgemerkt?

Ja, maar niet onmiddellijk. In het begin diende hij als brancardier. Later verzorgde hij contacten tussen soldaten en dokters. Vele Vlaamse soldaten hadden nauwelijks noties van Frans, terwijl de dokters overwegend Franstalig waren. Daar kwam zijn talenkennis dus goed van pas. Ik heb een dagboekje van hem gevonden met daarin lijsten van gewonde soldaten die medische rapporten bij de dokters hadden aangevraagd. De lijst loopt tot in 1915. Zijn kennis van het Engels deed hem zelfs tijdelijk bij het hoofdkwartier van het Engelse leger belanden. Daar was hij eerste sergeant-tolk. Wat hij daar precies heeft moeten doen, is mij onbekend. Daar heeft hij me nooit over gerept. Het is toeval, maar net als mijn vader was ik in mijn diensttijd ook eerste sergeant. Dat was dan wel na de Tweede Wereldoorlog, in 1951.

Hoe ging het thuisfront om met de oorlog?

De verloofde van mijn vader vluchtte samen met zijn zussen naar het neutrale Nederland.  Zij verbleven daar gedurende de hele oorlog en waren dus net als mijn vader afgesneden van hun ouders die in het bezette België waren achtergebleven. Vader kon als militair wel geregeld op verlof. Zo kwam hij verschillende keren in Engeland terecht. Dat heeft hij zich een keer erg beklaagd, toen tijdens die rustpauze een van zijn beste vrienden sneuvelde.

Hoe heeft je vader de behandeling van de Vlamingen door het Franstalige legerkader ervaren?

Daar was hij niet over te spreken. Hij verfoeide dat mooie Nederlandse namen verfranst werden. Zo werden zijn voornamen Leo Ludovicus Johannes tot zijn groot ongenoegen verfranst tot Leon Louis Jean. Hij had veel voeling met de Frontbeweging. Hij was er ook in actief, zij het niet op de eerste rij. Na de oorlog bleef hij de idealen van de Fronters uitdragen. Zo sloot hij zich aan bij VOS en ondersteunde hij de bouw van de eerste IJzertoren. Zoals gezegd was hij tussen de oorlogen ook mede-eigenaar van het Vlaams Huis in Edegem, waar hij ook het beheer van waarnam. Uit sympathie voor de Vlaams-nationalistische dienstweigeraar Joris De Leeuw kreeg ik zijn voornaam. In de jaren 1930 sloot hij zich aan bij het Vlaams Nationaal Verbond (VNV).

Bleef hij ook tijdens de Tweede Wereldoorlog actief?

Ja, hij bleef uitkomen voor zijn overtuiging. In toespraken verwoordde hij bijvoorbeeld regelmatig zijn Groot-Nederlandse overtuiging. Als een van de dorpsnotabelen kreeg hij daarvoor meermaals een forum, onder meer op 11 julivieringen. Dat is hem na de oorlog kwalijk genomen. De Witte Brigade is ons huis binnengevallen en heeft er de boekenkast geplunderd. Dat hij actief was geweest in Vlaamse kringen volstond blijkbaar om hem een tijdlang op te sluiten. En om zijn eervolle onderscheidingen af te nemen. Die werden hem in 1953 bij Koninklijk Besluit afgenomen op grond van ‘onwaardigheid’. Het is tekenend dat zijn voornamen daarbij weerom waren verfranst; Nochtans was vader tijdens de Tweede Wereldoorlog gewoon consequent blijven vasthouden aan de idealen die hij in de Eerste Wereldoorlog had ontdekt: zelfbestuur, nooit meer oorlog en Godsvrede. Zijn gevangenisstraf was dus stank voor dank voor iemand die België in de Grote Oorlog 4 lange jaren trouw had gediend.

Interview: Rutger Schimmel