Van snel-Belg tot bewuste Vlaming

Vrijwel alle westerse landen koppelen voorwaarden aan de verwerving van de nationaliteit. De condities variëren, maar toch is er sprake van een gemeenschappelijke kern. In Duitsland staat de aanvrager voor een – moeilijke – taaltest, een integratieproef en inkomenseisen. In Engeland wordt hij getest op zijn kennis van het Engels, burgerplichten en politiek. De Fransman in spe moet thuis zijn in de taal van Molière en vertrouwd zijn met de ideeën van de Franse Revolutie.

In de andere omliggende landen worden gelijkaardige eisen gesteld. Op die manier wordt gepeild naar de integratiewil van de aanvrager. Zo is naturalisatie geen lege doos. En wordt de aanvrager ingewijd in de lusten maar ook de lasten van de democratie. Wie volwaardig deel wil uitmaken van een samenleving heeft immers rechten en plichten. In zijn eigen belang moet hij kunnen deelnemen aan het publiek debat. Waarvoor hij minstens de taal en de spelregels moet beheersen.

In België is dat vooralsnog niet aan de orde. In 2000 drukte de toenmalige premier Guy Verhofstadt de snel-Belgwet door. Hierdoor komt de aanvrager er goedkoop van af. Na 3 jaar verblijf kan je als migrant bij het parlement een naturalisatieaanvraag indienen, na 7 jaar krijg je zonder meer het ‘recht’ op de Belgische nationaliteit. Ook de nationaliteitsverwerving via familiehereniging werd vergemakkelijkt. Van andere voorwaarden is geen sprake. We zouden kunnen concluderen dat de Belgische nationaliteit dus niets waard is. Want wat hoort voor wat? Maar de Machiavelli in Verhofstadt zag hier omwille van partijbelangen en persoonlijke ambities geen graten in.

Om de toenmalige CVP uit de regering en de Wetstraat 16 te houden moest Verhofstadt zware toegevingen doen aan het Franstalig blok MR-FDF, PS en Ecolo. Het ene plezier is het andere waard. De machtswil van de VLD en de persoonlijke ambitie van Verhofstadt werden afgekocht door de staatshervorming te bevriezen en een snel-Belg wet op maat van de Franstaligen. Die wilden geen inkomensvoorwaarden. Die zouden immers  koren op de molen zijn van de Vlamingen om voorwaarden te bedingen voor de transfers van noord naar zuid. Natuurlijk mochten er ook geen taaleisen worden opgenomen. Niet alleen omdat er veel meer Franstalige dan Nederlandstalige aanvragers zijn, maar vooral omdat die koppeling de Vlaamse eis tot kennis van de streektaal zou ondersteunen. En wat Vlaanderen in zijn inburgeringbeleid vraagt van nieuwkomers mocht niet gelden voor ‘nieuwe Belgen’, laat staan voor de francofone inwijkelingen in de Vlaamse rand.

Het is hoog tijd dat ook in dit dossier paal en perk wordt gesteld aan de Franstalige oekazes. Ook in deze staan Franstaligen en Vlamingen lijnrecht tegenover elkaar. In de voorbereidingen op de aanpassing van de snel-Belgwet ging vooral de MR onder druk van het FDF dwarsliggen. Voor deze heethoofden is het dossier verstrengeld met hun strijd voor de uitbreiding van de Franstalige voorrechten in de Vlaamse rand. Zoals in zoveel dossiers zweren de Franstaligen bij de status quo of beschouwen zij kleine toegiften van hun kant als vette vissen voor de Vlamingen. Daarom kunnen de Vlamingen best nog forser investeren in de inburgeringmaatregelen op Vlaams niveau. Ook in het belang van de nieuwkomers, want het is duidelijk dat de kennis van de streektaal de kansen op tewerkstelling vergroot. De Vlaamse gemeentebesturen die de Vlaamse eigenheid in de Vlaamse rand verdedigen verdienen dus ook vanuit sociale overwegingen alle lof. Zolang de oude wetgeving nog bestaat, moeten de snelle Belgen in Vlaanderen alvast worden gekneed tot bewuste Vlamingen. Franstaligen die zich niet willen integreren mogen gerust worden doorverwezen naar Waals-Brabant. Daar is nog ruimte te over.

Philippe Haeyaert
Algemeen voorzitter
Februari 2011

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *