Vlaams herdenkingstraject 2014-18 zit goed

Vandaag is Vlaanderen geheel of gedeeltelijk bevoegd in tal van domeinen, waaronder cultuur, erfgoed, onderwijs, toerisme en wetenschap. Dat is een feit, maar dat is blijkbaar niet tot iedereen doorgedrongen. Dat kwam recentelijk meermaals aan het licht bij de oplaaiende polemiek over de Vlaamse investeringen in de eeuwherdenking van de Grote Oorlog. Die inspanningen zijn een doorn in het oog van de Franstaligen en hun Vlaamse slippendragers.

Enkele Vlaamse historici trokken alle registers open. Op kop van de stoet stapt Sophie De Schaepdrijver, een dame met een ego zo groot als een olifant. De Schaepdrijver wordt in de zogenaamde kwaliteitsmedia te pas en te onpas als dé Vlaamse expert in de geschiedenis van de Grote Oorlog opgevoerd. Omdat ze al jaren doceert in de Verenigde Staten gaf het Vlaams Parlement haar in januari een gouden erepenning, een onderscheiding ‘om mensen te huldigen die zich langdurig en aanwijsbaar verdienstelijk hebben gemaakt en hierdoor de Vlaamse Gemeenschap uitstraling geven’.

Dat was toch even slikken. Wij kennen De Schaepdrijver immers helemaal niet als een heraut voor Vlaanderen, maar als een vaandeldraagster pro Belgica. Eerder al liet de historica zich opmerken door pissig te doen over de discriminatie van de Vlaamse soldaten aan het IJzerfront. Nu laat ze zich ook in met de Vlaamse initiatieven in het licht van de eeuwherdenking. Ze gewaagt van een ‘overtrokken Vlaamse invulling’. De oorlog, aldus de historica, was in de eerste plaats een Belgische oorlog tegen een terug te dringen invaller. Daarom kant ze zich ook tegen de koppeling van een vredesboodschap aan de herdenking.

De Schaepdrijver kan het niet hebben dat er voor de federale overheid in de eeuwherdenking nog maar weinig hefbomen overblijven. In het andere geval is ze dringend toe aan een cursus staatsrecht.

De Schaepdrijver heeft een punt waar ze stelt dat ook de Vlaamse soldaten, in de overtuiging dat de oorlog niet lang zou duren, veelal ‘enthousiast’ naar het front trokken om België te verdedigen tegen de Duitse agressor. Maar ze gaat al te gemakkelijk voorbij aan de evolutie die zich in het spoor van de lange stille fasen aan het front voltrok. De oorlogsmoeheid nam in de loop van de jaren almaar toe en onder een Vlaamse mondige minderheid groeide het ongenoegen over de Vlaamse achterstelling. Omwille van de existentiële omstandigheden waarin ze verkeerde, mag die onvrede niet worden onderschat. Daarvoor is wel enige empathie vereist, iets wat De Schaepdrijver lijkt te ontberen.

In het denkkader van De Schaepdrijver is geen plaats voor deze feitelijke evolutie. Want de historica maakt al vele jaren deel uit van B-plus, de beweging die vasthoudt aan de Belgische status quo. Het zou haar sieren hier open en bloot van te getuigen. Haar verknochtheid aan België blijkt immers relevant voor het perspectief van waaruit zij de Grote Oorlog beschrijft en de Vlaamse eeuwherdenking beoordeelt. De kritiek van De Schaepdrijver op de Vlaamse herdenkingsinitiatieven verbergt een latent ongenoegen over het resultaat van de staatshervormingen tot dusver. Ze kan het niet hebben dat er voor de federale overheid in de eeuwherdenking nog maar weinig hefbomen overblijven. In het andere geval is ze dringend toe aan een cursus staatsrecht.

In plaats van de Vlaamse overheid een schuldgevoel aan te praten zou De Schaepdrijver die overheid moeten roemen om haar proactieve houding in de aanloop naar 2014-18.

Philippe Haeyaert,
Algemeen voorzitter