Vlaanderen aan de vooravond van de Grote Oorlog

‘Arm Vlaanderen’. Geen term die in tijden van communautaire tweespalt meer gebruikt wordt in de media en op sociale netwerksites. De ene keer schertsend, een andere keer met bitterheid over hoe diep Vlaanderen nu weer gevallen is. Het uitgangspunt blijft echter telkens hetzelfde: een aanklacht tegen de mentale staat van de medemens, een rechtstreekse echo van het gelijknamige werk van pater D. A. Stracke, die al in 1914 van leer trok tegen de achterstand en verarming van Vlaanderen.

Geen volk in Europa dat aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog zo diep gezonken was als de Vlaming, althans volgens pater Desideer – gelatiniseerd tot Desiderius – Stracke. Geboren in Antwerpen in 1875 trok deze jezuïet en filoloog zich sterk het lot aan van zijn eigen volk dat anno 1914 na decennia van strijd eindelijk kon uitpakken met enkele zwaar bevochten verworvenheden. Voor Stracke was de Vlaming niet enkel te beklagen in zijn materiële armoede. Die beschreef hij wel levendig aan de hand van voorbeelden zoals in zijn relaas over een zekere J.V. die zijn gezin van vijf niet meer kon onderhouden met zijn loon van hoop en al 2 frank per dag en dat voor werkdagen van bijna 16 uur. Pater Stracke concentreerde zich evenwel vooral op de structurele tegenwerking van het Vlaams en de Vlaming in de Belgische wetgeving, iets wat hij niet uitsluitend toeschreef aan de regering en francofiele politici.

Achterstelling

Het België van 1914 kwam van ver. Hoewel de Vlaamse beweging al enkele slagen had binnengehaald, waarvan de wet Cooremans-De Vigne waarschijnlijk wel de voornaamste was, bleef de situatie schrijnend. De voornoemde wet, die het Nederlands toeliet in strafzaken, werd uitgevaardigd naar aanleiding van de zaak Schoep. In 1872 werd Jozef Schoep verboden om de geboorte van zijn kind in St.-Jans-Molenbeek in het Nederlands aan te geven. Toen de rechtzetting in 1882 werd doorgevoerd was het kind al overleden. Toch werd de erkenning van het Nederlands als officiële bestuurstaal in 1898 nog steeds op veel tegenkanting onthaald, de stemming in de Senaat was zelfs uitermate nipt met 47 tegen 43.

De verantwoordelijkheid lag volgens Stracke in grote mate bij de Vlaming zelf. Het fiere volk dat Conscience de hemel in prees is niet meer, de Vlaming is vervallen tot mentale armoede en ongemanierde ruwheid. Zo luidt het bij Stracke. Het enige redmiddel is aandacht voor taal, cultuur en geloof, lezen we in Arm Vlaanderen:

‘Er zijn twee bloedeigen dingen, die vele rasvlaamsche menschen niet kennen: hun taal en hunne geschiedenis; en toch, taal en geschiedenis zijn eten en drinken voor ieder individueel en nationaal dus ook voor elk Vlaamsch organisme. En daarom is dit organisme ziek en lijdend, en daarom is het rijke Vlaanderen der zoogezegde leidende standen arm, doodarm […].’

Het verzuim is geen zaak van luiheid geweest, maar is de schuld van het Belgische kader: de ‘Vlaamse’ geschiedenis moet onderdoen voor de ‘Belgische’ – vb. de Belgische mythevorming van Henri Pirenne in zijn Histoire de Belgique – en de Nederlandse taal moet te vaak het onderspit delven tegenover het Frans dat nog steeds als socio-economisch breekijzer dient.

Echter, wie zijn geschiedenis kent zal eindelijk inzien welk onrecht de Vlaming sedert 1830 is aangedaan en wie aandacht heeft voor het Nederlands zal inzien dat het Frans de Vlaming steeds heeft belemmerd en ‘[…] het later terug aanleeren van ons Vlaamsch ons weer heeft herschapen tot – en geridderd met – de onuitroeibare kracht en de onovertroffen pracht onzer eigen Vlaamsche natuur.’

Bloedarmoede

Prioritair voor pater Stracke blijft echter het katholieke geloof dat hij ziet als de levensbron van de Vlaamse aard, die vaak verkeerdelijk wordt aanzien als een tegenwerkende kracht, bijvoorbeeld door bisschop Stillemans en later ook kardinaal Mercier. Geloof zet altijd in op de volledigste en heerlijkste menselijkheid en dient dus volgens Stracke voornamelijk de lijdenden te ondersteunen. De geestelijke armoede uit zich in het dagelijkse taalgebruik en de dagelijkse omgang van de mens. Om dat te staven vergelijkt hij Vlaamse met Roemeense mijnwerkers. Terwijl de Roemenen rustig en beheerst op de trein zitten, staan de Vlamingen bekend om hun onbeleefdheid en gevloek, tekenen van een gebrekkige trouw aan het geloof en voor Stracke dus ook uitingen van mentale armoede.

Stracke betreurt de teloorgang van het Vlaanderen van weleer. Waar het ooit koploper was in wetenschappen, literatuur, ondernemingszin en vrijheid is de regio verworden tot de Assepoester van West-Europa. Toch, zo verklaart de auteur, staan die oude deugden nog altijd op een redelijk peil en dienen ze opnieuw uitgeput te worden om vooruit te komen. Daar ligt dus net het heikele punt: niet de huidige staat der dingen is het probleem, wel dat men dat heeft laten gebeuren. Nu is het dan ook de tijd om, nadat Albrecht Rodenbach en Hugo Verriest de basis hadden gelegd, de ‘aanmars’ [sic] te beginnen. Het grootste probleem ligt in het gebrek aan een eigen ‘elite’, aldus Stracke. De Vlaming is een volk zonder toplaag: de eigen elite is verfranst en zit vast in zijn ivoren toren, het volk is ruw en boertig geworden, daartussen zit de middenklasse geprangd, het volk dat de leiders moet leveren.

Een ander geluid: August De Winne

Arm Vlaanderen van Stracke is niet de enige in zijn soort. Het einde van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw zijn duidelijk een keerpunt in de beschouwingen over Vlaanderen en de Vlamingen. August De Winne gaf in 1902/1904 het startsein met zijn Door arm Vlaanderen, waarin hij net als Stracke later de erbarmelijke toestand van Vlaanderen aan het begin van de twintigste eeuw schetste. In tegenstelling tot Stracke zette de socialist De Winne zich net af tegen het in zijn ogen belemmerende katholieke aspect van de Vlaamse beweging en haar taalstreven. De Winne verwachtte alle heil van de socialistische beweging en de sociale machtsstrijd, al meende hij dat de socialisten ten zuiden van de nog niet bestaande taalgrens niet op steun vanuit het noorden moesten rekenen. Daarvoor was het Vlaamse volk te verpauperd en verzwakt, aldus De Winne.

Stracke en De Winne leverden 2 sterk uiteenlopende visies met evenwel dezelfde kerngedachte: Vlaanderen ligt aan de leiband, en dat door zijn eigen schuld. De materiële armoede en de mentale armoede gaan hand in hand als een vicieuze cirkel: de armoede is het gevolg van een gebrek aan aandacht voor cultuur en taal, wat een gevolg is van de armoede an sich.

Mythe van de omgekeerde transfers

Net die armoede is wat prof. Juul Hannes fascineerde. In zijn artikel ‘Met de fiscale bril bekeken: Vlaanderen in België, 1830-1914’ uit 1995 ging hij in op de fiscale kant van de periode die De Winne en Stracke zo scherp schetsten en op de mythe van de omgekeerde transfers in het bijzonder. Hannes kwam tot de slotsom dat het rijkere Wallonië van de 19de eeuw, in tegenstelling tot gangbare opinies ter rechtvaardiging van de actuele financiële transfers van noord naar zuid, niet heeft bijgedragen tot de Vlaamse ondersteuning en ontwikkeling. Hoewel Wallonië dankzij zijn industrialisering in deze periode uitgroeide tot een economische kernregio in West-Europa, droeg paradoxaal Vlaanderen meer bij tot de staatskas.

Omstreeks de eeuwwisseling betaalde een Vlaams gezin gemiddeld 16,7% meer per jaar aan belastingen, wat kon oplopen tot 60% meer op vererfde kapitalen in Vlaanderen. Dit kwam door het verouderde belastingsysteem. Door de onmogelijkheid om het gemiddelde netto-inkomen van een Vlaams gezin na te gaan om de grondbelasting te berekenen werd de pachtprijs als richtsnoer genomen. Die was echter onevenredig hoog door de relatieve overbevolking. Als gevolg daarvan kende Vlaanderen in verhouding tot zijn welstand ook een onevenredig hoge belastingdruk. Het ‘Arm Vlaanderen’ van De Winne en Stracke was een feit.

Grote Oorlog start van Vlaams reveil

De ‘wederopstanding van het Vlaamse volk’ zoals pater Stracke ze vlak voor de Grote Oorlog vurig bepleitte, is niet geheel verlopen zoals hij ze had voorzien. De verscherping en massificatie van de Vlaamse beweging tijdens de Eerste Wereldoorlog en het interbellum bewerkstelligden echter wel via andere middelen de idealen die Stracke had vooropgesteld. De beweging vond ingang in bredere bevolkingslagen, de vernederlandsing van het secundair onderwijs en de Gentse universiteit gaven de Vlamingen de breekijzers voor een geleidelijke opbloei uit het troosteloze ‘Arm Vlaanderen’.

Michiel Vantongerloo