Wie de geschiedenis kent, is niet gedoemd haar te herhalen

Globale economie creëert sociale onrust, interstatelijke verstrengeling brengt politieke onvrede, imperialistische inmenging brengt internationale spanning. De wereld van begin 2014 stemt niet optimistisch. Maar zij is wel herkenbaar. Wat kan 1914 ons leren over oorlog en vrede in onze tijd?

Artikel 1914-2014 - Afb.

Als Groot-Brittannië tracht te leven zonder samenwerking met andere naties, zou half haar bevolking sterven. Hoe vollediger de samenwerking, des te groter de vitaliteit; hoe onvollediger de samenwerking, des te minder de vitaliteit. Het hele ding wordt simpel: de mens zijn onweerstaanbaar afdrijven weg van conflict en richting samenwerking, is slechts de completere aanpassing van het organisme (de mens) aan zijn omgeving (de planeet). Het resultaat is meer vitaliteit.‘

Grote illusie(s)

Groot-Brittannië krijgt er flink van langs bij Daniel Cohn-Bendit of Guy Verhofstadt, maar bovenstaand wollig proza is niet van eurofundamentalisten. De apostel van samenwerking die hier spreekt, is Norman Angell (1872-1967). De Britse econoom en politicus publiceerde de woorden in The Great Illusion (1909). Zowel boek als auteur zijn vergeten, maar ze genoten in de optimistische jaren na publicatie grote populariteit. Landen zijn op economisch vlak steeds onderling afhankelijker, zo legde Angell ons voor. Oorlogvoering is simpelweg niet in hun belang. Ons lacht een vreedzame toekomst toe.

The Great Illusion bleek zelf een grote illusie te zijn toen de Europese volkeren vrolijk tegen elkaar ten strijde trokken. Zonder een kwaadaardig genie dat als enige schuld droeg. Er was een samenspel van factoren, sommigen diepgeworteld zoals de etnische haat tussen de ‘Teutonen’ en de ‘Slaven’, anderen zeer toevallig – zo was in juli 1914 de Duitse kanselier in zulke diepe rouw om het overlijden van zijn vrouw, dat hij het niet kon opbrengen om de strijdvaardigheid van de keizer te temperen.

De oorsprong van de Eerste Wereldoorlog is een Gordiaanse knoop die we 100 jaar na dato nog altijd niet helemaal kunnen ontwarren. Wat ons wel lukt, is de grote knelpunten in de knoop aanwijzen. Dan zien we – tot onze schrik – dat de wereld van 1914 aardig op de onze lijkt. Naast de illusie dat economische verstrengeling vrede brengt, springen 6 overeenkomsten in het oog.

Terrorisme

Zo onbekend als we zijn met de precieze oorzaken, zo bekend is bij ons de aanleiding van de Grote Oorlog: de succesvolle moord op de Habsburgse aartshertog Franz-Ferdinand door de Bosnische Serviër Gavrilo Princip. Zijn inspiratiebronnen waren nihilisten als Friedrich Nietzsche, die eens verklaarde ‘ich bin gar kein Mensch, ich bin Dynamit’. Met zo’n motto is moord een sinecure.

Wat nogal eens vergeten wordt, was dat Oostenrijk-Hongarije flink over de schreef was gegaan door Bosnië-Herzegovina in 1908 te annexeren. Dat praat Princips actie niet goed, het verklaart wel veel. Ook voor onze wereld. Het huwelijk van mensverachtende ideologie met ontaard, rancuneus nationalisme vindt, baart als kind terrorisme. Westerse machten wakkeren het bovendien aan met imperialistisch internationalisme – denk aan de NAVO-bemoeienis met Libië -, alsof respect voor nationaal zelfbeschikkingsrecht onmogelijk is.

Globalisering

Nogal eens wordt ‘globalisering’ genoemd als nieuw fenomeen. Maar ook begin 20ste eeuw werd de wereld groter: goederen, ideeën en mensen stroomden van continent naar continent. Globalisering was vooral economisch. Naast gehandeld werd er echter ook gepraat, uiteraard door politici, diplomaten en rechters. Tussen 1890 en 1914 werden meer internationaalrechtelijke arbitrages uitgevoerd dan in de 96 jaar ervoor. In Den Haag confereerden hoge heren druk over ontwapening.

Globalisering of het geld dat het opbracht betoverde de Europese elite zo, dat ze de schaduwzijden ervan uit het oog verloor. De Duitse concurrentie op de Britse markt bijvoorbeeld lag aan de basis van het bekende stereotype van de Duitser als hebzuchtige Hun. Het doet denken aan de huidige Griekse haat jegens Duitsland, dat aan de ene kant via de Europese Unie aan de Grieken versmachtende begrotingseisen oplegt, maar aan de andere kant gretig duur wapenmateriaal opdringt aan de spilzieke Griekse krijgsmacht. Globalisering brengt naast rijkdom ook spanningen.

Volk en elite

Spanning was er in 1914 ook binnen landen. Europa had een Januskop: het was revolutionair én conservatief. Revolutionair in dat oude zekerheden verdwenen waren door verregaande industrialisering en urbanisering. De betrekkelijke vrijheid van de stad gaf ruimte aan nieuwe ideeën, zoals het anarchisme van Gavrilo Princip.

Wat was er conservatief aan deze wereld? Zeer zeker de elite, een verbond van oude landadel en de nieuwe rijken uit de hoge burgerij. De elite achtte haar voorrechten een onontvreemdbaar geschenk Gods, en had zoveel gezag dat zelfs verstokte marxisten gehoor gaven aan haar oproep de wapens op te nemen. Die steun brokkelde nadien flink af. Tegen 1917 was er in Frankrijk massale muiterij, in Rusland een algehele revolutie, in België Vlaams protest. De harmonie tussen de klassen, het oude corporatistisch ideaal, bleek een vernislaag met een vulkaan eronder.

Is het anno 2014 anders? De elite vindt eensgezind dat Europese integratie de weg is naar de toekomst. Het volk volgde tot nu toe gedwee, maar bij de verkiezingen van 2014 zou wel eens kunnen blijken dat velen geen Europese superstaat willen. De eurocraten lijken evenmin bereid tijdig te luisteren naar de gewone man als de legerleidingen in de Grote Oorlog.

Oorlog is onzeker

Een uitstekend argument tegen het menselijk vermogen te leren van de geschiedenis, is het hardnekkige geloof in de mogelijkheid van een snelle, schone oorlog. In 1914 leefde het vooral bij de Duitse legerleiding: als we genoeg soldaten hebben die we met genoeg treinen op het juiste tijdstip op de juiste plaats brengen, zal de overwinning van ons zijn.

Tegenwoordig denken de Amerikanen precies zo. Met onbemande vliegtuigen en afluisteroperaties wekken zij de illusie van een ‘efficiënte’ oorlog, zonder eigen doden. Zij onderschatten de hardnekkigheid en de vindingrijkheid van hun Afghaanse en andere vijanden. Die les hadden ze moeten leren uit 11 september 2001, toen 2 vliegtuigen het World Trade Center invlogen. Civiele vliegtuigen aangewend als bommen: even inventief en dodelijk als tractoren aangewend als tanks.

Modder, scherven, bloed: het zijn en blijven de bestandsdelen van elk conflict. Oorlog blijft vuil, ook als de nieuwste technologie wordt gebruikt.

Nieuwe machten

De opkomst van Duitsland, zoekend naar grondstoffen en afzetmarkten, was onbetwist een van de grote oorzaken van de Eerste Wereldoorlog. De centrale grootmacht van Europa werd met het jaar economisch en dus ook politiek machtiger. Omringende landen voelden zijn hete adem: ze verenigden zich tegen of met Duitsland. Rusland deed het eerste, Oostenrijk-Hongarije het laatste. Toen Princips aanslag het kruitvat van de Balkan deed ontploffen, garandeerde Duitsland zijn zuiderburen direct dat elke Russische oppositie betaald zou worden met oorlog in het oosten.

Het Duitsland van 2014 laat zich raden: China. De opkomende wereldmacht staat op gespannen voet met de Verenigde Staten, die hun invloedssfeer in de Grote Oceaan bedreigd zien. Ook Japan reageert geprikkeld op het ontwaken van de Chinese draak. De Japanners hebben de timide houding van na 1945 ingeruild voor rollen met de spierballen. Defensie krijgt meer geld, er wordt geoefend met de marine van India.

De Balkan van 2014 is geen lappendeken van conflictueuze volkeren in een mistig berglandschap, maar eilandjes in de Oost-Chinese Zee, zo klein dat ze amper zichtbaar zijn op de kaart. China en Japan claimen de eilandjes – door de Japanners de Senkaku-eilanden en door de Chinezen de Diaoyu-eilanden genoemd. Onlangs verkondigde China het gebied rond de eilandjes als vliegzone te beschouwen. Japan protesteerde, wat niet voorkomt dat nu Chinese straaljagers over zijn gebied vliegen. Zal door het geruzie over minuscule eilandjes een titanenstrijd losbarsten over wereldheerschappij?

Kennedy

Alle bovengenoemde problemen hoeven niet tot oorlog te leiden. Tenminste niet als de wereldleiders het hoofd koel houden. Als ze op hun hoede zijn voor achterdocht bij legerleiders en profileringdrang bij kabinetsleden. Neem oktober 1962. Russische schepen met kernkoppen stoomden af op Cuba. Veel Amerikaanse ministers en generaals drongen bij John F. Kennedy aan op grootschalig machtsvertoon.

Op dat moment was Kennedy nog geen 2 jaar president. Hij bezat geen jarenlange ervaring om de koers te bepalen. Wel had hij The Guns of August (1961) van historica Barbara Tuchman gelezen. Deze klassieker vertelt briljant hoe de Europese machten blind een oorlog in renden. Dat fiasco mocht niet herhaald worden, besloot hij. Kennedy onderhandelde rustig in plaats van de schepen te beschieten. Het werkte. De wereld bleef een totale, nucleaire oorlog bespaard. Wie de geschiedenis kent, is niet gedoemd haar te herhalen.

Rutger Schimmel