Toespraak Jurgen De Pillecyn tijdens de VOS-herdenking van Filip De Pillecyn

Begin augustus brachten wij, 50 jaar na zijn overlijden, op het Campo Santo een passend eerbetoon aan Filip De Pillecyn. In hem herdachten we een van de architecten van onze Vlaams-pacifistische traditie. Het IJzertestament, dat De Pillecyn vurig verdedigde, blijft voor VOS brandend actueel. Voor onze werking blijven zelfbestuur, nooit meer oorlog en godsvrede onverminderd het uitgangspunt.

Hieronder vindt u de integrale toespraak gebracht door Jurgen De Pillecyn, kleinneef van Filip De Pillecyn en lid van de Algemene Vergadering van VOS, op de herdenking van 4 augustus.

Herdenking Filip de Pillecyn
Campo Santo, Sint-Amandsberg, 4 augustus 2012
Toespraak Jurgen de Pillecyn, kleinneef

Dames en heren, vrienden en sympathisanten van VOS,  familie en genodigden,

De dag na overmorgen zal het precies een halve eeuw geleden zijn dat Filip de Pillecyn (FDP) te Gent overleed. Iemand herdenken die nu in 2012, 50 jaar later, haast niemand van ons nog persoonlijk gekend heeft en waarvan de laatste directe getuigen stilletjes aan uitdunnen, dat heeft iets irreëels. De tastbare mens die hij was, is voor ons vervaagd en zijn stem en woorden kennen we alleen van horen zeggen. Nu 25 jaar geleden, in 1987, stonden hier op dezelfde plaats als ons, en met dezelfde bedoeling, nog verschillende van die bevoorrechte getuigen. Die zijn er nu niet meer. Wat ons rest zijn echo’s die nog nazinderen, flarden van gesprekken, gestolde indrukken, oude foto’s, krantenartikels.  Dit maakt echter ook dat het private, funeraire, stoffelijke aspect van een herdenking als deze deels plaats kan ruimen voor aandacht voor de geestelijke erfenis van degene die we nu huldigen. Wat is er dat nog leeft van wat deze man nagelaten heeft, wat is zijn betekenis geweest en wat hebben we er van onthouden of behouden?

Als wij hier vandaag rond FDP’s graf staan is dat ook omdat we ons een beetje in hem terugvinden of willen herkennen. De piëteit die we hem nu wijden is, toegegeven, ook een beetje voor huisgebruik. De mens FDP, die al lang verdwenen is, herinnert er ons aan dat wij niet alleen van brood maar ook van gedachten moeten leven. Feitelijk zijn de rollen nu even omgedraaid en dienen wij antwoord te geven op de pertinente vragen die FDP ons naliet. En hij vraagt ons: wie ben ik nog voor jullie en wat is mijn betekenis geweest? 25, 50 jaar terug was de situatie nog enigszins anders. De naam FDP klonk toen nog als een klok en zijn overlijden was voorpagina-, radio- en televisienieuws. Ook de herdenking in 1987 ging, zij het met iets minder luister, niet ongemerkt voorbij. Nu, in 2012, is er nog steeds een niet onaardig ruim publiek dat zich in de mens en kunstenaar FDP kan terugvinden, ook al is zijn naam en zijn zijn boeken wat weggeslibd in een stortvloed van prestigieuzer herdenkingen, zoals die van Conscience of Boon, Rousseau, Dickens en zelfs Marilyn Monroe. Degenen bij ons die een herdenking van FDP minder opportuun vinden opperen wel eens dat FDP verouderd zou zijn, wollig in zijn taalgebruik, teveel verankerd in een agrarisch en arm, volks Vlaanderen dat nu god of wie dan ook zij dank, onherroepelijk vergeten tijd is. Vooral de jongere generaties haken af, deels uit desinteresse, deels ook uit gebrek aan informatie of zelfs uit desinformatie.

Bij een eerlijke analyse van al deze opwerpingen en irritaties die de lectuur van FDP soms oproepen blijkt algauw dat men veel meer over zichzelf bloot geeft dan lief is. De traagheid en de verdieping die FDP ons oplegt hindert ons soms wat, en aan het dramatisch levensverhaal van FDP’s helden en personages, zowat allen ‘losers’, hebben we in deze van competitie en jeugdigheid blakende tijden geen verhaal meer. De trein der traagheid is definitief uitgerangeerd en op stal gezet en in onze supersnelle treinen trekt het landschap niet meer voorbij, zoals dat heette, maar vliegt het voorbij. Snelheid maakt ons ook veilig blind voor wat we niet meer zien willen. De liefde voor de soldaat die bij FDP manifest aanwezig is, en niets anders is dan liefde voor de verdrukte en vernederde mens,  raakt ons nog amper nu het dagelijks voorgeschoteld oorlogsgeweld ons gewoontjes is geworden.

FDP’s passie voor de natuur, de grond en dieren, die geen enkele andere Vlaamse auteur zo fijnmazig en atmosferisch terzelfdertijd oproept, prikkelt ons.  De meeste boeken van FDP beginnen buiten, in een bos, een woud, langs een rivier, in de open natuur, symbool van levenskracht en ruimte, ruimheid ook. Meestal eindigen zijn boeken in besloten ruimtes, kamers, gangen, huizen, een sterfbed, de gevangenis, symbolisch voor het verlies van die vrijheid, van het leven ook.  FDP lijkt er hier een omgedraaide Durch-Nacht-zum-Licht-romantiek op na te houden, niet per aspra ad astra, maar per astra ad aspra.  Het prikkelt ons, omdat we die zuinig afgemeten beslotenheid laten primeren op de open natuur, omdat we, gevangen in onze huiskamers, de voorkeur geven aan schermen en flatscreens en vooral omdat we het niet zo nauw nemen met onze ecologische  roeping. Het stadslandschap, en niet de natuur, is de spiegel van onze identiteit geworden.

Ook bij het door FDP zo uitvoerig beschreven onrecht dat anderen aangedaan wordt omdat ze de door de gemene deler uitgelijnde marges niet halen kijken we wel eens verveeld de andere kant op. Nog steeds is Hans van Malmédy, de eeuwige zwerver, op de vlucht en nog steeds dient Mr. Hawarden, de man-vrouw of de vrouw-man het daglicht te schuwen.  Is het soms niet die actualiteit, die onverbiddelijke spiegel die FDP’s boeken ons voorhouden die ons zo moeilijk afgaat?  FDP’s werk is één grote smeekbede om menselijkheid , een grote oproep om huichelachtigheid af te leggen, om aandacht voor het verdrukte en vernederde, voor het verdrongene. FDP’s werk is geen louter narcistische belletrie, geen glossy literatuur die men even snel lezen als vergeten kan. Ze beklijft omdat ze raakt. Het raakt omdat het eerlijk is. De auteur DP zegt ons in ongeëvenaard mooi Nederlands: wees eerlijk en bezwijk niet aan cynisme of aan de waan van de dag, zelfs al heb je daar alle redenen van de wereld toe.

Naast deze aandacht voor de eerlijkheid is er nog een toon in FDP’s werk die luid resoneert en die je ook voortdurend in z’n leven hoort gonzen. Het is een snaar die enthousiasme en gedrevenheid opwekt en die door een ideaal in trilling gebracht wordt. Het klinkt oubollig voor ons, maar FDP was een idealist en de zedelijke verheffing van zijn volk was zijn ideaal. De eerste literaire werken zijn dan ook portretten van zo’n reuzen en kampioenen van gedreven- en standvastigheid : Verriest, Mgr Bermijn, Pastor Denys, Pieter Fardé, Pater De Deken. Wat klinken hun namen reeds ver en vreemd.

Maar snel ruimen ze plaats voor een nieuw soort idealisten : helden die twijfelen, die worstelen met hun ideaal en zichzelf. DP was geen onwrikbaar ideoloog, arrivist noch attentist. FDP was een zoekend idealist. Ook zijn heldhaftigheid was wel eens onderhevig aan fluctuaties of nuances, en de man die zo wars was van alle geestelijk of profaan gezag ambieerde geen heldenleven of een blitse carrière. Dat hij zich in onzalige tijden toch liet meeslepen door leugenachtige sirenes kostte hem bij velen in Vlaanderen veel krediet. Maar wie FDP wil vastpinnen op louter verdiensten of louter fouten perverteert de auteur en maakt een bilan op die niet gepast is door ogen en oren te sluiten voor wat ’s mans leven en werk ons leren kunnen. Het lijkt me ook geen toeval dat FDP’s helden na het debacle van de tweede wereldbrand allen in het teken van de barmhartigheid en vergevingsgezindheid staan, zoals Rochus of Elisabeth.

Een derde wezenstrek van FDP die nu in 2012 soms dissoneert, is zijn Vlaming-zijn.  De erfenis die hij als Vlaming en flamingant naliet is schier overzienbaar en zo indrukwekkend dat zijn engagement zich wel aan een heel rijkelijk wellende bron dient gelaafd te hebben. Het is wel genoegzaam bekend hoe hij aan de basis lag van zoveel Vlaamse initiatieven, verenigingen en organen waarvan sommige nog tot op de dag van vandaag bestaan of waarvan de uitstraling tot heden nog werkzaam en voelbaar is.

Zo VOS, dat als een van de weinigen in Vlaanderen z’n pionier niet vergeten heeft, en de IJzerbedevaart die na 14-18 verder bouwden op het ook al door FDP mee opgerichte Comité Heldenhulde en de verworvenheden van de Frontbeweging waarin hij zoals bekend een van de drijvende krachten was. Ook de krant De Standaard en het gevreesde satirisch blad Pallieter werden door FDP vorm gegeven. De nog niet zo lang geleden ter ziele gegane Bond der Oost-Vlamingen te Brussel, ter behoud  van taal, en cultuur in de hoofdstad, en de ook al gesneefde boekengilde De Klauwaert zijn onlosmakelijk met FDP verbonden, en dan reppen we nog niet over de talloze andere Vlaamse verenigingen waar hij zijn volle steun en forse pen en stem aan verleende. De motor die deze Vlaamse energie onvermoeibaar opturfde draaide vooral op verontwaardiging.

Verontwaardiging voor aangedaan onrecht, verontwaardiging om vernietiging of verdrukking van beschaving. Nog voor de desastreuze IJzertrauma’s was FDP als student al begaan met het lot van het verpauperde en ongeletterde Vlaamse volk. De wantoestanden die hij als jongeling in z’n geboortedorp Hamme had gezien, het sociaal recht dat door de rijke, veelal Franstalige bovenklasse met voeten getreden werd ontstak een vuur in hem dat niet meer gedoofd zou worden. Zijn boek Mensen achter de Dijk, veel later in de gevangenis geschreven, laat ons zien dat FDP voor een sociaal Vlaanderen staat, dat van onderuit diende heropgebouwd te worden, met de wortels in de grond. Kapitaal en financiële belangen die met macht en recht verbroederen en met moraal konkelfoezen vonden in zijn ogen geen genade. FDP, samen met zoveel anderen, begreep dat hiervoor een degelijke infrastructuur, in de meeste letterlijke, etymologische zin, nodig bleek.  In Jan Tervaert, een roman uit 1947, schrijft hij dit: ‘het onrecht in de wereld is zo groot dat velen samen moeten zijn om de last van dit onrecht te dragen’, en elders heet het: ‘zij die het hardste schreeuwen over de deugd van een politiek regime zijn zij die er van profiteren’. FDP pleit voor een solidair sociaal Vlaanderen, ook al deed dit hoge ideaal hem meermaals struikelen over partijgeest en private belangen, over eigen zwakte ook.

Een oude dame die FDP van heel nabij had gekend in z’n laatste levensjaren vertrouwde me toe dat FDP wel geobsedeerd verbitterd leek om dit gebrek aan sociale en politieke samenhorigheid tussen Vlamingen.  De overgevoeligheid voor onrecht was voor FDP natuurlijk ook aangescherpt geweest door de bittere ervaringen in de loopgraven van de IJzer. FDP zag er niet alleen het onrecht dat de Vlaamse soldaten werd aangedaan maar ook de gruwel van de oorlog die iedereen trof en alle soldaten over de prikkeldraden heen lotsverbonden maakte. Vele van zijn naaste makkers sneuvelden of stierven aan ziekten en ontberingen zoals  Leo de Nayer en Joe English,… Vanaf de eerste herdenkingen van de Vlaamse oorlogsslachtoffers klonk de boodschap ‘Nooit meer oorlog’ uit aller mond. FDP nam meermaals namens VOS het woord om de ‘vloek aan den oorlog’ zoals dat heette in bevlogen taal te onderstrepen, en op te roepen tot Godsvrede, het neerleggen van alle reële en ideologische wapens in Vlaanderen en in de wereld. In 1924 reeds drukte FDP het op de IJzerweide zo uit:  ‘Zoals wij hier zijn er honderdduizenden over de wereld, honderdduizenden vrouwen die hun kinderen niet groot willen brengen voor het kanon, honderdduizenden jonge mannen die in de wereld kijken en er géén vijanden zien’. In een artikel in het ledenblad van VOS schrijft FDP nog voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog: ‘Waanzinnig Europa… En men spreekt over de mogelijkheid van een nabije oorlog met een koelheid alsof er niets natuurlijker was dan het uitmoorden van een paar volkeren omwille van financiële belangen’.

FDP staat voor een pacifistisch Vlaanderen, een ideaal dat zoals 100 jaar na de Grote Oorlog blijkt nooit af is, ook bij ons niet. Tussen 2005 en 2010 verdubbelde de Vlaamse wapenexport ten belope van meer dan 300 miljoen euro. Een recent wapendecreet laat beterschap verhopen en doet een stap in de richting die FDP , mutatis mutandis, in 1938 nog zo omschreef: ‘Met meer nadruk dan ooit herhalen wij daarom hier dat het Vlaamse volk zich met uiterste kracht zal verzetten tegen het inschakelen van onze buitenlandse politiek in een blok van ideeën of in een militaire groepering.  … wij willen… het leven van ons volk beveiligen door het te onttrekken aan elke oorlogsformatie.’  Pacifisme ook op ideologisch gebied, daar staat de pijler Godsvrede van VOS voor. Voor de Fronters of het vooroorlogse IJzerbedevaartcomité was dit apolitiek imago niet altijd vanzelfsprekend. Ook voor FDP was dit soms te hoog gegrepen. Er zou na 1914-18 weer een wereldbrand nodig zijn om zich ten koste van veel leed en bloed deze mooie voornemens weer in herinnering te brengen. Had FDP niet gezegd dat de Vlaamse soldaten in de loopgraven broederlijk naast elkaar stonden zonder te weten wie socialist, katholiek of vrijzinnig was? En dit omdat er ‘een liefde was zo groot, een idee zo volledig dat ze alles in bezit nam’? Het cenakel vrienden dat FDP na zijn vrijlating in 1949 omringde bestond heus niet alleen uit trouwe katholieken of leden van de CVP. Weerstanders zaten daarbij, zoals Paul Lebeau, socialisten, zoals Achiel Mussche, Piet Van Aken, Johan Daisne, misschien wel FDP’s intiemste vriend uit zijn laatste levensjaren en -dagen, die tot na de oorlog nog overtuigd communist bleef. Het was ook een pluralistisch initiatief van een bent Vlaamse schrijvers van verschillend politiek allooi dat FDP in 1949 uit de gevangenis kon pleiten. Het is voor ons soms merkwaardig vast te stellen hoe de veroordeelde na zijn vrijlating welwillend onthaald werd in vele kringen, ook de minder katholieke. De turbulenties uit FDP’s leven onderstrepen dit belang van een tolerant en open Vlaanderen. Men leze er maar De man Job of De goede moordenaar, enkele kleine literaire à-coteetjes  van FDP op na.

En uiteindelijk kunnen we ook niet vergeten dat FDP’s liefde en streven voor een beter en beschaafder Vlaanderen zich voedde aan de wens voor zelfbestuur. De invulling van deze wensdroom was tijdens de hobbelige en soms kronkelige paden die de Vlaamse beweging aflegde wel eens variabel. In 1917 ging het in het manifest Vlaanderens dageraad aan de IJzer over Vlaams zelfbestuur binnen de Belgische context. In het naoorlogse getouwtrek tussen minimalisten en maximalisten lijkt het wel eens alsof min veel te weinig en maximum iets te veel voor FDP is. De verzuchting naar een zelfstandig Vlaanderen tijdens de Tweede Wereldoorlog, zoals ook door de FDP bepleit, zette de teller helaas voor lange tijd weer op nul. Maar de strijdkracht en virulentie van de jonge Leuvense student die in 1913 opperde dat de Vlaamse beweging wel meer dan alleen maar een taalstrijd was laait weer op in de oude gezette man die in 1961 op een nieuw elan hoopt: ‘Ik geloof dat we er goed voorstaan. De unitaire fictie is eindelijk voorbij. Maar als de Vlamingen federalisme vragen is dat gebrek aan burgerdeugd. Waar we wezen moeten, dat is een autonoom Vlaanderen, dat zich vrij en ongehinderd kan ontplooien. Want het is de cultuur van een volk en de levensvatbaarheid daarvan die de waarde en de betekenis van een volk bepalen;  alleen al door het feit dat Vlaanderen los zal komen te staan zal la Belgique française terugzakken tot zijn werkelijk formaat.’

Ik plaats het vergrootglas hier nog even op een fragment uit deze tekst: ‘…. want het is de cultuur van een volk en de levensvatbaarheid daarvan die de waarde van een volk bepalen’. Lees niet: de economische, (geo)politieke of militaire slagkracht van een volk, maar wel de c u l t u u r van een volk. FDP staat voor een autonoom en cultureel waardig Vlaanderen, waarvan de levensvatbaarheid niet aan de door de geldgildes opgestelde tabellen of ratingbureaus  of aan de winstmarges van pretparken afgemeten wordt maar aan de beschaving die elke Vlaming in zich mee- en uitdraagt. Bij de mens en kunstenaar FDP vervloeien trouwens kunst, beschaving, gemeenschap en politiek in één pleidooi: het is een oproep om waarachtigheid en inhoud, een sterke aanmaning over het graf heen om middel niet met doel te verwarren. In 1955 zegt hij het ook zo: ‘Wij leven meer dan ooit in een jungle van slogans. Dat is waar voor het sociale en politieke leven, dat is ook waar voor de kunst. Het zoeken naar inhoud van onze tijd vindt daar een masker in: met een ernstig gezicht worden dingen voorgehouden waar niemand aan gelooft.’

Beste genodigden, beste leden van VOS,

zowel in de lijkredes uit 1962 van Mussche als Lebeau als in de toespraak die Anton Van Wilderode hier op deze plek in 1987 hield werden al deze kwaliteiten en typeringen van FDP samengevat in één begrip. Van Wilderode zei dat in een ander land FDP wellicht als een groot en universeel kunstenaar zou gehuldigd zijn geweest. Want FDP is inderdaad universeel, in z’n boeken en ook in zijn  Vlaming-zijn. Universeel omdat hij waarachtig is en herkenbaar voor iedereen die zich daarvoor wil openstellen. Door hem te lezen nemen we een deel van die Vlaamse en universele identiteit in ons  op en kunnen we zijn hopen en streven verder uitdragen. Het is dus nu, 50 jaar later, aan ons om passende antwoorden te vinden op de vragen en verzuchtingen die deze man ons naliet.