Voordracht herdenkingsplechtigheid Omaar Mortier, 10 april 2019

Activiteit van VOS-afdeling Deinze-Nevele (Renaat De Rudder)
Tekst:
Nick Peeters, lid van de Algemene Vergadering van VOS Vlaamse Vredesvereniging
Foto’s:
Kurt Naert-Segaert

 

Dames en heren

Vooreerst wens ik u allen te bedanken om mij als lid van de Algemene Vergadering van VOS Vlaamse Vredesvereniging te ontvangen op dit waardevol herdenkingsmoment. Enige maanden geleden ontving het secretariaat van VOS in Antwerpen van een aanwezige op deze plechtigheid de vraag of onze vereniging iets zou ondernemen rond Omaars honderdste verjaardag. Bijzonder geïnteresseerd trok ik daarop naar het ADVN-Archief voor nationale bewegingen in Antwerpen, waar Omaars persoonlijk archief opgeslagen ligt. Op basis van de daar beschikbare documenten formuleerde ik een beknopt levensoverzicht, dat ik vandaag graag met u deel. Staat u me toe te beginnen met een citaat.

“Beste Mama en Broers. Nu is ’t Paschen en nog niet thuis. Mijne beste wenschen deze[ren] hoogdag. Schrijf toch veel, zeer veel. Laatste brief dateert van 8-2-41. Toch droevig, geen nieuws v. huis. Schrijft veel laat u niet aanklappen dat we toch gaan thuiskomen, maar schrijft altijd voort. We weten toch niet wanneer we komen. Ik versta dat zelf niet.” Zo schreef Omaar Mortier aan zijn thuisfront midden april 1941, als krijgsgevangene van de Duitse bezetter. De toon van de brief toont duidelijk aan dat Omaar het niet makkelijk had. In het jaar 1925 was hij als kleine jongen zijn vader verloren. Hij groeide op in een gezin met aan het hoofd een alleenstaande moeder, die zich met liefde ontfermde over haar zonen. In 1938 moest Omaar afscheid nemen van moeder en broers, daar hij naar het leger trok om zijn dienstplicht te vervullen. Zijn leidinggevend officier Maurice Scheire, die Omaar in ‘38, maar ook tijdens de mobilisatie van ‘39 en de meidagen van 1940 onder zijn bevelen had, getuigde later dat Omaars gedrag en wijze van dienen onberispelijk waren. Hij gaf tijdens de veldtocht van ‘40 al dan niet bewust gehoor aan de oproep van de VOS-leiding om de Duitse aanvaller te bestrijden om het zelfstandig volksbestaan te vrijwaren. Tijdens de eerste oorlogsdagen bleef hij bestendig op zijn post en gaf hij blijk van moed en plichtsbesef. Zodoende werd hij op het slagveld te Ronsele door de Duitse krijgsmacht gevangen genomen.

Terwijl Omaar gevangen zat, werden in Vlaanderen én binnen VOS gevoelige veranderingen doorgevoerd. VOS hervatte onder de bezetting na enige tijd zijn activiteiten en de organisatie verkreeg het monopolie van de oud-strijderswerking in Vlaanderen. In mei 1941 richtte de vereniging de Vlaamsche Wacht op, die als een soort rijkswacht moest dienen. Omaar had door de politieke en militaire ontwikkelingen drie jaar lang nog niets verdiend en was aldus drie jaar ten laste van zijn alleenstaande moeder geweest. Na de oorlog getuigden verschillende Nevelaars unaniem dat Omaar zijn moeder zeer graag zag, haar altijd gedienstig was en kopzorgen had om haar welzijn. Toen hij thuiskwam uit krijgsgevangenschap moest hij noodgedwongen zorgen voor haar onderhoud. De Vlaamsche Wacht bood hem hiertoe de gelegenheid. Op 1 juni 1941 nam Omaar dienst.

Ondanks een eredocument dat Omaar ontving omwille van een jaar trouwe dienst, merkte hij – net als de VOS-leiding – na enige tijd dat er iets grondig mis was met de organisatie waarvoor hij zich inzette. Een gebrek aan eenheid, de dubbelzinnige houding van de officieren van de Wacht en vooral de grote bemoeizuchtigheid van de bezetter, … Zorgden ervoor dat VOS zich begin 1942 terugtrok uit de werving, al bleef de organisatie zich inzetten voor de belangen van de wachters. Tegen een dergelijk gebrek aan beginselvastheid in de Wacht besloot Omaar zich ook van zijn kant met hand en tand te verzetten. Hij was zelfs betrokken bij de stichting van een rebellengroep. Het gevolg voor hem en zijn kompanen: achteruitstellingen inzake benoemingen, ontzetting uit functies, … Van januari tot maart 1944 belandde Omaar zelfs door toedoen van de bezetter in de cel.

Dit alles kon niet beletten dat, zo bleek kort na de oorlog aan de hand van getuigenissen, Omaar zich bleef inzetten voor zijn volksgenoten in nood. Op eigen gevaar en zich hierdoor blootstellend aan zware straffen vanwege de bezetter verzette hij zich tegen de verplichte tewerkstelling van Vlaamse mannen. Ook verzond hij gratis – voor wie ook – pakketten en brieven naar al de Vlamingen, die het ongeluk hadden toch verplicht de Duitse oorlogsindustrie te moeten aansterken. Eind april raakte hij gewond bij een gefaalde aanslag. Tot begin mei ‘44 bleef hij thuis. In diezelfde maand bezocht hij Hendrik Elias om hem te wijzen op het belang zich te verzetten tegen de invloeden van de bezetter … Zonder veel resultaat. Nog op 21 juli 1944, de dag van het bombardement op Kortrijk, toonde Omaar opnieuw zijn offervaardigheid voor de mensen rond hem. Immers getuigde een verpleegster van het Rode Kruis over zijn inzet tijdens dit drama waarbij 168 doden vielen, en ik citeer: “Ik houd er aan te zeggen dat die heer zich buitengewoon onderscheiden heeft bij de redding van de geteisterden in de Beheerstraat en dit gedurende twee volle dagen ononderbroken, iets wat naar mijn meening een bijzonder melding verdient.”

Laat ons verder een kleine sprong in de tijd maken. Na de oorlogsjaren heerste grote verwarring binnen de Vlaamse beweging. Omaar stelde zich als doel de jonge Vlaamse generatie uit zijn streek opnieuw warm te maken voor de Vlaamse problematiek. De IJzerbedevaarten in Diksmuide zag hij steeds als één der beste plaatsen voor de Vlamingen, om aan gewetensonderzoek te doen. Daar vond men nieuwe krachten voor de voortzetting van de Vlaamse strijd. Op het dodenveld aan de IJzer moest iedereen toch tot het besef komen dat daar duizenden Vlamingen voor de vrijheid van het Vlaamse recht hebben gestreden, geleden en hun leven geofferd. Die Vlaamse soldaten stonden buiten en boven elke politiek, ze streden voor hun elementairste recht. Het was steeds Omaars bedoeling de jongere mensen daar te laten doordringen van dat zuiver-Vlaams idealisme … want er zou nog veel idealisme nodig zijn om na de oorlog weer iets voor Vlaanderen te kunnen bereiken.

In de praktijk nam Omaar zijn verantwoordelijkheid door de functie van voorzitter van het Renaat de Rudderkomitee op zich te nemen. Dit comité organiseerde jaarlijks de Renaat De Rudderkaravaan. Het eerste doel hiervan was zoveel mogelijk mensen uit de streek naar de IJzerbedevaart te brengen en dit aan de laagst mogelijke prijs. Ten tweede hielp de Karavaan, door de jaarlijkse financiële steun, hard mee aan de wederopbouw van de IJzertoren. Ten derde steunde Omaars initiatief in principe, moreel en financieel, alle Vlaamse acties die buiten en boven elk politiek verband stonden.

Om af te sluiten citeer ik graag Omaar zelf, toen die aan het slot van een interview in een tijdschrift complimenten ontving voor zijn jarenlange, onwrikbare engagement: “U moet mij niet gaan feliciteren kerel. Al die gelukwensen komen het meest aan al onze medewerkers toe? Zeg, drinkt U iets? Van al dat praten is mijn keel droog geworden. Mag het een Trappist zijn?”

Dames en heren, we staan hier vandaag om een verdienstelijke Vlaming te herdenken. Ik dank de mensen van de lokale afdeling voor de aangename samenwerking en ik stel voor dat we dadelijk in de kantine – eventueel met een goeie trappist – nog wat terugdenken op zijn persoon en herinneringen oprakelen. Ik ben alvast benieuwd. Ik dank u. 

 

 


 

 

Geef een reactie